donderdag 11 juli 2013

The Undertakers : Just a little bit / Stupidity (1964)



The Undertakers waren een Britse beatgroep, tijdgenoten van The Beatles en een toonaangevende groep in de Merseybeat muziek scene van de vroege jaren 1960.

Hun bekendste line-up was:

Jackie Lomax (lead vocals, bass)
Chris Huston (lead gitaar, zang)
Geoff Nugent (solo, slaggitaar, zang)
Brian Jones (alt, tenor saxofoon, zang)
Bugs Pemberton (drums) (geboren Warren Pemberton, 1944)


The Undertakers waren "very big" lokaal in Liverpool. Dit kwam vooral door hun woeste live optredens. Wat ze speciaal hadden was een saxofonist die de band vooruit stuwde .

Ze speelden in de Hamburgse Star-Club in 1962. Bij hun terugkeer, verwierpen zij een management-aanbod van Brian Epstein, en tekenden dan een platencontract bij Pye Records met Tony Hatch als platenproducer. De platen die ze maakten bij Pye waren zwak, alleen hun derde single "Just a Little Bit" geraakte voor een weekje in de top 50 in april 1964.

Hier is ie.

Just a little bit


Stupidity


The Dave Clark Five - de eerste drie Franse EP's



De band begon als het Dave Clark Quintet in 1957, met Clark op drums, Dave Sanford op lead gitaar, Chris Walls op bas, Don Vale op piano (en arrangeur).

Na heel wat wijzigingen in de groep werd hun naam uiteindelijk veranderd in “The Dave Clark Five” .

De bezetting was nu :
Dave Clark, drums
Mike Smith, zang en elektronisch orgel
Lenny Davidson, sologitaar
Rick Huxley, basgitaar
Denis Payton, saxofoon, mondharmonica en gitaar.

De band werd gepromoot als de voorhoede van de "Tottenham Sound ', een reactie op de Mersey Beat stal beheerd door Brian Epstein.

Dave Clark, de onbetwiste leider van de groep, plaatste zijn drumstel vooraan op het podium  met de gitaristen en orgel aan zijn achter-en zijkanten. Hij deed de zaken van de groep, deals die hem toestonden om opnames van de band te produceren en die hem uiteindelijk de controle van de masters opleverden. Songwriting credits gingen naar Clark, Clark en Smith, Clark en Davidson, en Clark en Payton.

The Dave Clark Five had 17 platen in de top 40 van de Amerikaanse Billboard chart, 12 Top 40 UK hits  tussen 1964 en 1967.






Ze waren eigenlijk de eerste groep die de zgn. British Invasion inluidden. Ze speelden 18 optredens op The Ed Sullivan Show  - het meest van alle Britse invasie groep.

Na het succes van de film van de Beatles  “A Hard Day’s Night”  in 1964, bracht de band zijn eigen film uit, “Catch us if you can” (geregisseerd door John Boorman) in 1965.
De leden van de groep spelen een groep stuntmannen. Hun leider Steve (Dave Clark) heeft er ineens genoeg van tijdens de opnamen voor een tv-spot en gaat ervandoor met Dinah (Barbara Ferris), een actrice die gespecialiseerd is in commercials voor de vleesindustrie.

Na hun eerste successen, de film en een tv-special, waren de grote hits verleden tijd. Er kwam wel nog "You Got What It Takes" uit 1967, maar het sprookje was gedaan.

De band probeerde vergeefs mee te gaan met de psychedelische trend, maakte zelfs  "Live in the Sky" (gebaseerd op de Beatles '' All You Need is Love '), maar niets mocht baten.

De DC5 hielden ermee op in 1970.

Na de opheffing van de groep begon Clark een mediabedrijf.  Hij verwierf de rechten van de opnamen van het tv-programma Ready Steady Go!

Mike Smith bleef in de muziekbusiness. Hij schreef jingles voor reclamespotjes en hielp artiesten bij platenopnamen. In 2002 begon hij een eigen band, Mike Smith’s Rock Engine. Die band was een kort leven beschoren, want in 2003 maakte hij een val, die hem voor de rest van zijn leven vrijwel geheel verlamd maakte. Hij overleed in 2008.

Lenny Davidson werd gitaarleraar en leidde een bedrijf dat kerkorgels repareerde.

Huxley ging werken voor een bedrijf dat handelde in muziekinstrumenten en gaf later leiding aan een bedrijf in elektrische apparatuur. Hij overleed begin dit jaar.

Payton werd makelaar, maar bleef parttime muziek maken tot zijn dood in 2006.





Dit zijn hun eerste drie (franse)  EP’s.









dinsdag 9 juli 2013

J.J. Jackson - Come and see Me (I'm your man) - 1966




Een van de meest interessante en obscure figuren van jaren '60 soul is zonder twijfel  JJ Jackson (echte naam Jerome Louis Jackson).

We herinneren ons de man door zijn smash hit (in de R&B lijsten) in 1966 met een van de meest aanstekelijke hits van die tijd  “But it’s Alright."

De song klonk als een STAX product maar was in feite opgenomen in Engeland waar JJ Jackson op dat ogenblik verbleef.

Hij schreef o.m. voor the Shangri La’s “It’s easier to cry”

Minder gekend is zijn nummer dat door de Britse (toen R&B) groep The Pretty Things werd gecoverd, “Come see Me” .

J.J. Jackson - Come and see Me (I'm your man)




The Pretty Things - Come see me







Op de draaitafel vandaag : The Doobie Brothers / Toulouse Street (1972)



Is dit pure nostalgie of  gewoon goeie muziek ? 

Feit is dat ik deze plaat nog eens bewust heb opgelegd en gedraaid van voor naar achter, tot de laatste groef. 

The Doobie Brothers zijn een Amerikaanse rockband waarvan de kern wordt gevormd door de zangers/gitaristen Tom Johnston en Pat Simmons. De band is vooral bekend van hun hits Long Train Running, What a Fool Believes en Listen to the Music.

De band wordt in 1969 opgericht door zanger/gitarist/songschrijver Tom Johnston en drummer John Hartman. Ze werden aan elkaar voorgesteld door Moby Grape-gitarist Skip Spence (ex- Jefferson Airplane). De band heet in eerste instantie Pud, experimenteert met zowel de bezetting als met diverse muziekstijlen, en doet optredens in de omgeving van San José. Ze vormen hoofdzakelijk een trio met bassist Greg Murphy en krijgen tijdelijk versterking van een blazerssectie.

In de loop van 1970 komen bassist Dave Shogren en zanger/gitarist/songschrijver Patrick Simmons bij de band. Simmons heeft dan al bij diverse andere bands gespeeld maar ook als solo-artiest. Hij is een begenadigd fingerstyle gitarist, en zijn stijl past uitstekend bij de ritmische aanslagtechniek van Johnston. De uiteindelijke bandnaam wordt bedacht door een huisgenoot van Johnston; het is hem opgevallen dat de jongens gek zijn op doobies (de Californische benaming voor joint, stickie) en bovendien vindt hij het veel beter klinken dan Pud.

In augustus 1972 verschijnt de single Listen To The Music die op 2 september de 11e plaats in de Billboard top 100 haalt. Het is de voorbode van het tweede album Toulouse Street dat in juli wordt uitgebracht. Samen met Templeman, manager Bruce Cohn en geluidsman Don Landee (maar ook met hulp van Little Feat-pianist Bill Payne) is de band erin geslaagd om een gepolijste smeltkroes van R&B, country, bluegrass, heavy metal en rock-'n-roll neer te zetten, en dankzij een verblijf van 119 weken wordt het album niet alleen goud maar ook platina. Eind 1972 wordt Jesus Is Just Alright de tweede single; met een 35e plaats doet het een stuk beter dan de Byrds-versie die in februari 1970 niet verder kwam dan nr. 97.

Deze plaat - hun tweede album - is uit juni 1972. Ze bevat de hits "Listen to the music" en "Jesus is just allright".

Mijn favoriete track is echter het titelnummer "Toulouse Street".

Toulouse Street








zaterdag 6 juli 2013

Op de draaitafel vandaag : Jose James / No Beginning No End (2013)



Het jaar 2013 is halfweg.....

Ik hou er niet van om een balans op te maken, om lijstjes (hoe dom ook dat kan zijn) te maken met de beste platen van de afgelopen tijd.

Maar een ding weet ik.... Als ik een plaat moet meenemen van dit jaar dan is het wel deze. 

Superlatieven zijn een andere reeks van monsters die niet in mijn woordenschat passen, maar deze plaat (eigenlijk CD)  is absoluut geweldig.

Voor mij is dit zonder discussie de plaat van het jaar (tot nog toe)  en ik vraag me af of ze voor dit jaar kan of zal worden overtroffen.






José James (10 januari 1978) is een Amerikaanse zanger. Hij is het beste in het uitvoeren van Jazz muziek en ook Hip-Hop. James treedt over de hele wereld op, zowel als leider als met andere groepen.

James is de zoon van een Panamese saxofonist en multi-instrumentalist. Hij zat op The New School for Jazz and Contemporary Music. 

Zijn debuutalbum "The Dreamer" (2008) en de opvolger "BlackMagic" (2010), beide geproduceerd door DJ Gilles Peterson, transformeerde de in Minneapolis geboren in Brooklyn, New York wonende zanger in een ware underground sensatie, zowel in de jazz als in de DJ wereld. Bekend staand als muzikaal omnivoor wil James niet vastgepind worden op een specifieke stijl: Hij staat net zo graag op het podium met jazz legende McCoy Tyner als dat hij in de studio opneemt met rapper Oh No of met electronica pionier Flying Lotus.

Het eveneens in 2010 uitgekomen "For All We Know" met onze Jef Neve  kwam uit op de Impulse! label. "For All We Know" won een Edison Award en L'Academie du Jazz Grand Prix voor de beste Vocal Jazz Album van 2010.

Begin dit jaar kwam de bom, een nieuw album "No beginning no End" op het fameuze Blue Note label.

James : ‘No Beginning No End sums up how I feel about music right now. I don’t want to be confined to any particular style. I decided I didn’t want to be considered a jazz singer anymore and that was really freeing. Once I realized that jazz singing is just something that I do and it’s just a label, it freed me as an artist to just write without any boundaries’.

De prachtige vocals van James wiegen op subtiel gearrangeerde blaaspartijen, discreet begeleid door allerlei geluidjes eigen aan de hip hop muziek waar hij vandaan komt.



Dit zijn mijn favoriete tracks van wat voor mij nu al de plaat van het jaar is :

1. It's all over your body
2. Sword an Gun
4. Vanguard
12. Come to my door (met Emily King)








donderdag 4 juli 2013

The Four Tops - I can't help myself (1965)



De Four Tops kennen elkaar al sinds de middelbare school. Daar was het ook dat ze met elkaar begonnen te zingen. Ze begonnen onder de naam The Four Aims. In 1956 kregen ze een contract aangeboden bij Chess Records. Om verwarring te voorkomen met The Ames Brothers kozen ze ervoor hun groepsnaam te wijzigen in Four Tops. Onder contract bij Chess slaagde de groep er niet in door te breken. Een ontmoeting in 1963 met Berry Gordy zou daar verandering in brengen. Hij bood hen een contract aan bij Motown.

In het begin van hun carrière bij de Detroitse platenmaatschappij namen ze voornamelijk jazznummers op voor een workshop van het bedrijf. Ook fungeerden ze als achtergrondkoor bij sommige andere artiesten bij Motown, zoals The Supremes. Toen in 1964 het beroemde songwriterstrio Holland-Dozier-Holland een instrumentaal nummer had geschreven maar niet wist wat ze er mee moesten doen besloten ze er een tekst bij te verzinnen en er een nummer voor de Four Tops van te maken. Dit nummer werd het beroemde "Baby I Need Your Loving". Het nummer haalde #11 op de Amerikaanse top 100. Hiermee brak een succesvolle periode voor "The Tops" aan.






Na het grote succes van "Baby I Need Your Loving" werd besloten dat de Four Tops geen jazz meer hoefden te doen. Ze behoorden nu tot de meest vooraanstaande artiesten van Motown. Voortaan werden er singles voor hen geschreven. Hun volgende twee singles waren "Without The One You Love (Live's Not Worth While)" #43 en "Ask The Lonely" #24. Niet in staat het succes van de eerste hit te continueren leek de groep er niet in te slagen de voorkeurspositie binnen Motown waar te maken, maar de volgende single "I Can't Help Myself (Sugar Pie, Honey Bunch) leverde hun eerste #1 hit op. Daarna kwamen andere grote hits als "It's The Same Old Song" en "Something About You".

In 1966 schreven Brian Holland, Lamont Dozier en Eddie Holland de tweede #1 hit voor de Four Tops, "Reach Out, I'll Be There", hun grootste, en meest herkenbare hit. Samen met nummers als "My Girl" van The Temptations, "Baby Love" van The Supremes en "I Heard It Through The Grapevine" van Gladys Knight & The Pips en Marvin Gaye is dit nummer nog steeds een van de meest populaire Motownnummers. Ook na dit nummer bleven de Four Tops hits maken, zoals "Standing In The Shadows Of Love", "Bernadette" en "7 Rooms Of Gloom". Op bijna al deze nummers vormden de vrouwenstemmen van The Andantes het anonieme achtergrondkoor. Hun zang bepaalde eigenlijk net zo zeer de sound als die van de Four Tops zelf. De instrumentale begeleiding was in handen van The Funk Brothers, zoals bij vrijwel alle Motown-opnamen. Ook zij bleven anoniem.

Toen Holland-Dozier-Holland eind 1967 Motown verlieten, moest er voor de Four Tops ander materiaal worden gezocht. Ze gingen zelfs covers zingen van popmuziek, zoals "Walk Away Renee" van The Left Banke en de Tim Hardin-song "If I Were A Carpenter". Toen Motown in 1972 aankondigde te vertrekken naar Los Angeles verlieten ze het label. Ze kregen een contract bij ABC-Dunhill. Daar ging het weer beter met de Four Tops en kregen ze top 10 hits met "Keeper Of The Castle" en "Ain't No Woman Like The One I've Got". Na een tijdje droogden ook bij ABC-Dunhill de hits op en ging de carrière van de groep als een nachtkaars uit.

Deze EP is uit 1965, op het engelse Stateside label, met een - aan dit label eigen - o zo prachtige hoes.







dinsdag 2 juli 2013

The Spectres - Traffic Jam




Status Quo, Ook wel bekend als The Quo of gewoon Quo, is een Engelse rock band wiens muziek gekarakteriseerd wordt door een sterke boogie en boogie-woogie stijl. De wortels van de groep lagen bij "The Spectres" opgericht door schoolgangers Francis Rossi en Alan Lancaster in 1962. Na diverse line-up veranderingen, werd de band eind 1967 "The Status Quo", hetgeen uiteindelijk "Status Quo" werd in 1970. Ze hadden uiteindelijk meer dan 60 bekende hits in het Verenigd Koninkrijk, meer dan welke andere rock band ook in de geschiedenis. 22 van hun singles bereikten de top tien in het Verenigd Koninkrijk.

De band begon in de Underground rock in de jaren 60 onder de naam The Spectres.

Rond 1967 ontdekten ze de psychedelische rock en veranderden ze hun naam in Traffic en niet veel later in Traffic Jam (om verwarring te voorkomen met de band Traffic van Steve Winwood). Aan het einde van dat jaar trokken ze Rick Parfitt aan en noemden ze zich Status Quo. Na een korte psychedelische periode met enkele hits zoals 'Pictures of Matchstick Men', 'Blackveils of Melancholy' en Ice in the Sun' veranderde Quo van stijl met het album Dog of two head. Geleidelijk werd met de albums Piledriver en Hello begin jaren zeventig een breed publiek bereikt. De band ontwikkelde een eigen kenmerkende stijl van weinig akkoorden, makkelijke teksten en een stevig ritme.

Ik heb ooit twee singeltjes van die zgn. Pre-Quo periode gevonden (beiden voor twee keren niets in een rommelbak)

Dit zijn ze:


The Spectres

1. "Hurdy Gurdy Man" (Lancaster/Barlow)
2. "Laticia" (Lancaster)


Traffic Jam

3. "Almost but not quite there"
4. "Wait just a minute"


Een weetje : "Almost but not quite there" werd verboden op de BBC wegens openlijke sexuele lyrics.