Posts tonen met het label Blues. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Blues. Alle posts tonen

woensdag 16 oktober 2013

Charley Patton (1891 – 1934)




Charlie (of Charley) Patton was de eerste grote bluesman uit de Delta. Hij verenigde in zich ongeveer alles wat men van een Delta-bluesman kon verwachten: een zeer rauwe stem die het harde labeur en hert moeilijke leven uitdrukten, een rauwe en percussieve gitaarstijl.

Zeer dikwijls speelde hij slide guitar (of bottleneck gitaar – de gitaar wordt dan bespeeld met een flessenhals, wat een glijdend effect maakt). Zijn liedjes  spraken over verloren liefdes, dood en de natuur.
 


Hij maakte o.m. “High Water Everywhere” over de grote overstromingen in Mississippi in 1927, en “Oh Death” een gebed voor de dood van zijn geliefde.
 


“Well, backwater done rose all around Sumner now,
drove me down the line
Backwater done rose at Sumner,
drove poor Charley down the line
Lord, I’ll tell the world the water,
done crept through this town

Lord, the whole round country,
Lord, river has overflowed
Lord, the whole round country,
man, is overflowed
You know I can’t stay here,
I’ll go where it’s high, boy
I would go to the hilly country,
but, they got me barred

Now, look-a here now at Leland,
river was risin’ high
Look-a here boys around Leland tell me,
river was raisin’ high
Boy, it’s risin’ over there, yeah
I’m gonna move to Greenville,
fore I leave, goodbye

Look-a here the water now, Lordy,
Levee1 broke, rose most everywhere
The water at Greenville and Leland,
Lord, it done rose everywhere
Boy, you can’t never stay here
I would go down to Rosedale,
but, they tell me there’s water there

Now, the water now, mama,
done took Charley’s town
Well, they tell me the water,
done took Charley’s town
Boy, I’m goin’ to Vicksburg
Well, I’m goin’ to Vicksburg,
for that high of mine

I am goin’ up that water,
where lands don’t never flow
Well, I’m goin’ over the hill where,
water, oh don’t ever flow
Boy, hit Sharkey County and everything was down in Stovall
But, that whole county was leavin’,
over that Tallahatchie shore
Boy, went to Tallahatchie and got it over there

Lord, the water done rushed all over,
down old Jackson road
Lord, the water done raised,
over the Jackson road
Boy, it starched my clothes
I’m goin’ back to the hilly country,
won’t be worried no more”





 
Hij leefde het leven van een bluesman. Hij dronk en rookte overmatig, zou 8 vrouwen hebben gehad, zat minstens één maal in de gevangenis. Ook reisde hij constant en bleef nooit lang op een vaste plaats hangen.

Hij was niet zo groot, iets meer dan 1 meter 60 en hij woog slechts een kilo of 60. Maar hij had een stem die zeker wel honderd meter ver droeg, zo wist Sleepy John Estes te zeggen.

Patton was, in tegenstelling tot vele andere blueszangers of songsters, een echte vedette.




 
Hij hoefde niet als een soort zwerver van stad naar stad te trekken. Charley werd meestal uitgenodigd om ergens te komen spelen. De emoties die hij losmaakte maakten vaak dat hij door de plantage-eigenaren weg werd gestuurd. Hij zorgde voor oproer, want zodra hij begon te spelen werd het werk in de steek gelaten en kwam men naar hem luisteren en kijken.

Patton’s gitaarspel was erg opvallend. Hij sloeg op zijn gitaar, trok aan de snaren en stampte met zijn voeten op de vloer om het ritme van zijn muziek te benadrukken. Ritme en opwindendheid waren de kenmerken van zijn muziek.

Patton’s aanzien in de geschiedenis van de blues is enorm. Geen enkele andere artiest – behalve misschien Blind Lemon Jefferson had meer invloed op de toekomst en vorm van de blues en volgers als Son House, Howlin’ Wolf, Robert Johnson, Muddy Waters tot en met John Lee Hooker en Elmore James zijn door hem beinvloed..

Naast een Bluesman was hij ook een absoluut entertainer. Hij stond absoluut niet passief te zingen en gitaar te spelen. Hij sprong op en neer, speelde de gitaar tussen zijn knieën of achter zijn rug, en gebruikte de rug van zijn gitaar als een drumstel. Hij was een echte showman.

Ook wordt er nog gediscussieerd over zijn ras. Hoewel hij bijna zeker van Afrikaans-Amerikaanse afkomst was, zoals de meeste bluesartiesten, zijn door zijn lichte kleur toch ook geruchten ontstaan dat hij misschien van Mexikaanse of Indiaanse (volgens Howlin’ Wolf zelfs volbloed Cherokee) afstamming was.

Hij maakte ongeveer 60 opnamen, stuk voor stuk monumenten voor de Bluesmuziek.

Hij was echt “the founder of the Delta Blues”

High Water Everywhere (parts 1&2)





I shall not be moved






dinsdag 10 september 2013

Blind Willie McTell (1901 – 1959)




Blind Willie McTell (1901 – 1959)

Een van de giganten uit de pre-war blues …..

Willie Samuel McTell was een van de beste bluesgitaristen en zangers ooit. Vanuit zijn woonplaats Atlanta (GA) reisde hij veelvuldig rond en hij maakte tientallen opnamen onder verschillende namen, waaronder Blind Willie, Blind Sammie, Hot Shot Willie en Georgia Bill. Dit gebeurde vooral omdat hij op deze manier voor verschillende platenmaatschappijen kon werken. En dat zijn vast niet zijn enige pseudoniemen geweest.

We weten eigenlijk niet eens hoe hij zichzelf noemde, maar ‘Blind Willie’ werd het meest gebruikt. Veel over hem werd pas bekend na zijn dood, door verhalen van kennissen en familie- leden. Zijn familienaam bleek bijvoorbeeld ook niet McTell te zijn, maar McTier of McTear. Op zijn grafsteen staat overigens Willie McTier. Wat wel duidelijk is is dat hij werd geboren in een muzikale familie – zowel zijn vader als moeder speelden gitaar, net als een oom van hem.

Blind Willie McTell (zoals we hem dan maar blijven noemen) werd op 5 mei 1901 geboren in Thomson (GA) en hij groeide op in Statesboro. Hij was waarschijnlijk al blind vanaf zijn geboorte, maar dat bleek voor hem later geen beletsel te zijn. Hij beweerde dat zijn gehoor buitengewoon goed was ontwikkeld door deze handicap. Hij leerde eerst harmonika en accordeon spelen, maar toen hij er groot genoeg voor was schakelde hij over op de gitaar.

In eerste instantie speelde hij een gewone zessnarige gitaar en, hoewel hij deze bleef gebruiken, schakelde hij halverwege de twintiger jaren over op de 12-snarige gitaar. Bij alle opnamen die hij maakte,  werd van de 12-snarige gitaar gebruik gemaakt.
Willie bezocht een aantal blindenscholen in Georgia, New York en Michigan, waar hij ook een officiele muzikale opleiding kreeg. Daarna trad hij op tijdens medicine shows, carnaval, barbeques en hij was daar een populaire muzikant.

Willie’s platencarriere begon in 1927 met twee sessie voor Victor Records. Hier nam hij 8 nummers op, waaronder ‘Statesboro Blues’. Uit deze eerste opnamen blijkt al dat hij de kunst verstond verhalen te verhalen, en dit gecombineerd met fenomenaal gitaar- werk.
Behalve dat hij verschillende namen gebruikte, werkte hij ook samen met verschillende partners, waaronder zijn toenmalige vrouw Ruthy Kate Williams en muzikanten als Buddy Moss en Curley Weaver.

Toch bracht zijn platencarriere niet het succes waar Willie op had gehoopt. Voor het grootste deel lag dat aan het feit dat zijn meeste platen werden uitgebracht tijdens het dieptepunt van de Amerikaanse depressie. Hij bleef populair in Atlanta, waar hij voor het grootste deel van zijn carriere bleven werken en wonen, maar hij reisde ook regelmatig alleen naar New York.

Willie was gelukkig bekend genoeg zodat de bekende field recorder John Lomax zich verplicht voelde om in 1940 opnamen van hem te maken voor het Library of Congress. Net als bij andere artiesten werden er vanwege de oorlog enkele jaren lang geen opnamen gemaakt van McTell, maar gelukkig was er na de tweede wereldoorlog een (kortstondige) blues- en folkrevival, welke hem opnieuw terugbracht in de studio.

Verbazingwekkend genoeg toonde het nieuwe label Atlantic, dat eigenlijk bekend was van in Jazz en R&B, interesse in McTell en zij namen 15 songs met hem op in 1949. De enige single werd slecht verkocht en het duurde zo’n twintig jaar voordat de rest werd uitgebracht. Een jaar later was hij weer terug in de studio, nu met zijn oude partner Curley Weaver. Geen van deze opnamen verkocht goed, maar Willie bleef optreden voor ieder die hem maar wilde horen.

Mede door gebrek aan succes begon Blind Willie McTell naar de fles te grijpen. Hij werd herontdekt in 1956, waar hij nog een aantal historisch belangrijke opnamen maakte. Deze opnamen gebeurden louter toevallig toen een bij de handse muziekhandelaar op een dag een oudere zwarte (blinde) man in zijn winkel kreeg die om een set snaren vroeg. Deze herkende Blind Willie, en in de keuken werden de laatste opnamen van Blind Willie McTell gemaakt.

Teleurgesteld in de muziekindustrie besloot hij kort daarna de muziek te verlaten en werd dominee bij een lokale kerk. Op 19 augustus 1959 stierf hij in Milledgeville (GA) aan de gevolgen van een herseninfarkt, volledig eenzaam en vergeten. Zijn overlijden gebeurde zo onopgemerkt dat in nog in de zeventiger jaren in diverse boeken en tijdschriften werd geschreven dat hij nog in de zestiger jaren in Atlanta geleefd zou hebben.




Blind Willie McTell - Statesboro Blues (1928)
Opgenomen in Atlanta, Georgia op 17 Oktober 1928.







Blind Willie McTell was een van de giganten van de blues, zowel als gitarist en als zanger. Verschillende nummers zijn door anderen vertolkt, waarbij de versies van ‘Stateboro Blues’ door Taj Mahal en de Allman Brothers Band wel de bekendste zijn.

Hij was een zeer ontwikkeld man en fenomenaal muzikant, die net zo makkelijk de blues, als ragtime, spirituals, hillbilly en popnummers vertolkte. Hij kon muziek lezen en schrijven in braille en was een briljant improvisator op gitaar.

En zoals Bob Dylan het al zegde : “Nobody sings the blues like Blind Willie McTell”.



dinsdag 16 juli 2013

Op de draaitafel : Gerry Lockran / Blues Vendetta (1967)



Gerry Lockran – Blues Vendetta (1967)

Gisteren even geen Tour de France...en geen opgefokte renners die de Mont Ventoux opstuiven alsof het niks was.

Tijd dus voor wat nostalgie, en deze keer was het een album dat ik per toeval terug vond, het was namelijk fout geklasseerd.

Gerry Lockran werd als Gerald Loughran geboren op 19 juli 1942, Yeotmal, Central Province, India. Hij overleed op 17 november 1987.

Zijn vader was Iers zijn moeder Indische. Hij verhuisde met zijn familie naar Engeland in 1953. Twee jaar later, hij was toen 13, leerde hij gitaar spelen en ging bij een skiffle band, the Hornets.

Wanneer hij Elvis hoorde veranderde alles. Wanneer even later Big Bill Broonzy in Engeland optrad en Lockran ging kijken gebeurde het onvermijdelijke. Hij werd gegrepen in die maalstroom van blues en gitaar blues.

Big Bill Broonzy en Brownie McGhee. Zij waren zijn grootste invloeden. 



 

Hij speelde regelmatig in clubs in Europa in de jaren '60. Het moet in 1968  geweest zijn dat ik hem zag in Gent, met Michael Chapman in een clubje aan de Kuiperskaai, dat nu verdwenen is om plaats te maken voor “Het Zuid”.

Nadien (begin jaren 70) zou hij nog toeren met o.m. Joe Cocker door de VS.

Hij is echt iemand die nooit is doorgebroken, hoewel in de kringen van folk en blues gitaristen zijn naam klinkt als een bel.

Het zal pure nostalgie geweest zijn dat mij deze plaat nog eens op de draaitafel deed leggen. Ik heb ervan genoten als die eerste dag, in Gent toen ik de plaat kocht na zijn optreden in het zaaltje.

Favoriete tracks heb ik echt niet. Daarom volgen hier lukraak :

1. Get Back (Broonzy)
2. Automechanic Blues (McGhee)
3. Guitar Boogie (Lockran)
4. Careless Love (Traditional)







zaterdag 15 juni 2013

Op de draaitafel : Mississippi Fred McDowell / Delta Blues (Arhoolie 1021) - 1964



Na een zware week werd het tijd om eens wat muziek op te zetten. Ik koos voor een van mijn talloze bluesplaten. 

Mississippi Fred McDowell ( 12 Januari 1904 – 1 Juli 1972)

Toen met de Folk revival ook de zoektocht naar oude Bluesmen losbrak in Amerika ging men op zoek naar wie iedereen voor de allergrootste nam, Robert Johnson.

Een probleem, de man was al ruim twintig jaren dood, maar dat wist men niet.

Op zoek naar Robert Johnson echter,  vonden Alan Lomax en zijn ploeg een fenomeen : Mississippi Fred McDowell

Hij werd geboren in Rossville, Tennesse in 1904 en was de zoon van katoenboeren. Heel zijn leven heeft hij in het Zuiden gewerkt op katoenplantages. Zijn vrije tijd vulde hij op met gitaar spelen en soms op te treden op picnics of Hoe Downs.

De Lomaxen vonden in hem het perfecte  overblijfsel uit de oude tijd van de country blues uit de Delta. De impact van deze “ontdekking” was enorm.

“Perfect“. Dat was het enige woord dat Folk muziek verzamelaar Alan Lomax opschreef toen hij in 1959 Mississippi Fred McDowell opgenomen had.

McDowell werd opgevoerd als de reïncarnatie van de oude bluesmannen als Charley Patton, enz.

Al gauw zou blijken dat deze autodidact meer was dan dat. Hij was de echte pionnier van de revival van de oude blues.

Het meeste van Fred McDowells werk is akoestisch.

Hoewel hij fier verklaarde “I do not play no Rock and Roll”  werd hem gevraagd een elektrische plaat te maken, wat zijn doorbraak betekende in zowel de US als Engeland.
Tot nog toe werd de Delta-Blues alleen akoestisch gespeeld, en was de elektrische gitaar voor de Chicago Blues.

Hij inspireerde velen met zijn speelwijze. De Rolling Stones namen bijvoorbeeld een perfecte kopie van Fred’s “You Gotta Move” op (album: Sticky Fingers). Fred kreeg een deel van de royalties, waarschijnlijk meer dan hij ooit had verdiend tevoren.

Wie het meeste van Fred leerde en van hem overnam was Bonnie Raitt. Hij beschouwde haar als zijn kleinkind en leerde haar alles. Ze speelde vaak in zijn voorprogramma en nam veel nummers van hem op.

Hij stierf aan kanker in 1972 en met hem verdween de laatste grote bluesman uit de Delta.

Dit was McDowells eerste plaat - op het legendarsche Arhoolie label. Ze maakte van hem een ster, en het is absoluut niet moeilijk om te horen waarom.

Na te zijn verschenen op een aantal van Lomax's compilaties die deel uitmaakten van de Southern Journey-serie, slaagde Chris Strachwitz erin Mississippi Fred van zijn tractor te krijgen en naar een studio te brengen. Het gevolg was deze adembenemende plaat, recht uit de muzikaal rijke vlaktes van Como, Mississippi.


Mama don't allow me



You gonna be sorry



That's All Right




  


woensdag 5 juni 2013

Op de draaitafel : The Aynsley Dunbar Retaliation / Doctor Dunbar's Prescription (1969)



Aynsley Thomas Dunbar (Liverpool, 10 januari 1946) is een Engels drummer die met veel grote namen uit het rock-circuit heeft gespeeld.

Hij begon op elfjarige leeftijd met drummen, waarna hij op vijftienjarige leeftijd zich bij de band Leo Rutherford voegde. Andere groepjes waar Dunbar de stiel leerde zijn Merseysippi Jazz Band, Derrie Wilkie and the Pressmen en (Freddie Star and the) Mojo's waarmee hij zijn eerste opnames maakte.

in 1966 speelt hij samen met Steve Winwood en John McVie als het Rhythm and Blues Quartet. In september 1966 kreeg hij meer bekendheid nadat hij zijn intrede deed bij John Mayall's Bluesbreakers met Peter Green en John McVie (beiden later stichters van Fleetwood Mac.

Daarna stapte hij over naar de Jeff Beck Group. Na een ontmoeting met Frank Zappa in België tijdens het festival te Amougies in 1969 werd hij uitgenodigd om naar Amerika te komen, waar hij toetrad tot de band Mothers of Invention, al bleef Dunbar een veelvuldig gevraagd sessiedrummer.

Later kwam hij in aanraking met Neal Schon, die bij Santana als gitarist gespeeld had, waarmee hij de groep Journey vormde, waar hij bleef van 1973 tot 1978.

Deze elpee (Doctor Dunbar's Prescription) dateert uit 1969 met zijn eigen groep The Aynsley Dunbar Retaliation.

Het is een typische British Blues plaat uit de stal van John Mayall. Ik heb de franse uitgave van het album op het BYG Label.

Mijn favoriete tracks zijn

'Till your lovin' makes me blue



The Devil Drives




De Engelse hoes:



woensdag 8 mei 2013

Robert Johnson (1911 – 1938)





Robert Leroy Johnson (Hazlehurst (Mississippi), 8 mei 1911 – Three Forks (Mississippi), 16 augustus 1938) is één van de invloedrijkste Amerikaanse bluesartiesten aller tijden. 


Hoewel hij slechts 27 werd, maar twee opnamesessies heeft gedaan en maar een twintigtal songs naliet, is hij hét voorbeeld voor veel blueszangers en -gitaristen.

Robert Leroy Johnson woonde het eerste deel van zijn leven op een plantage bij Hazelhusrt waar hij zichzelf leerde bluesharp spelen, maar het was zijn wens om de gitaar te leren beheersen. Binnen zeer korte tijd lukte het hem, met behulp van onder meer de al even mysterieuze Ike Zinneman, om het instrument meer dan voldoende te beheersen.

Deze prestatie bracht de fabel in de wereld dat Johnson zijn ziel had verkocht aan de duiver. Hij zou op een nacht naar een kruispunt zijn gegaan om daar gitaar te gaan spelen. Om middernacht zou hij benaderd zijn door een grote, donkere man (de duivel), die hem zijn instrument afpakte, het voor hem stemde, en het, in ruil voor zijn ziel, aan hem teruggaf,  waarna hij het perfect zou kunnen bespelen.

Hazelhurst ligt dicht bij Crystal Springs, Mississippi, waar de populaire Delta gitarist Tommy Johnson (geen familie) woonde en werkte. Robert Johnson trouwde hier en oefende ondertussen zijn picking. Hij leerde nieuwe liedjes van grammofoonplaten.

Het is hier dat hij in de ban raakte van de mysterieuze gitarist Ike Zinnerman, een man waarvan de lokale bevolking beweert dat Johnson hem perfect kon nabootsen.

Dan steekt Robert Johnson opnieuw de kop op in Robinsonville vele maanden later zonder zijn vrouw, maar met een verpletterende gitaartechniek en een groot aantal nieuwe nummers. Die klinken verdacht veel als Lonnie Johnson (geen familie), Skip James, Peetie Wheatstraw, Scrapper Blackwell, en Kokomo Arnold.

Hier komt de fabel boven van de ontmoeting met de duivel op de “crossroads”. Hoewel Johnson’s nummers werden afgeleid van andere musici, hebben zij een zeer persoonlijke benadering van bekende thema’s als verlies, isolement en paranoia.

Johnson speelde overal, van de Kitty Cat Club in Helena, Arkansas tot de straten van Friars Point aan de voorkant van Drugstore Hirsberg’s. Zijn reislust nam hem mee naar steenkoolmijnen, speakeasies, dijk kampen, en tavernes in de Midwest, aan de oostkust, en zelfs in Canada. Maar het waren die weinige opnamen van hem die de grootste impact zouden hebben.

Robert Johnson nam tweemaal op, eerst in San Antonio, Texas, in november 1936 en opnieuw in Dallas, Texas, in juni 1937. De negenentwintig liedjes die hij opgenomen heeft tijdens deze twee sessies zijn de hoekstenen van de delta blues.

Na een van zijn optredens kreeg hij vergiftigde whiskey – waarschijnlijk een actie van een jaloerse echtgenoot van een van zijn scharrels. Hij werd overgebracht naar Greenwood, waar hij het gif binnen enkele dagen door ziekte wist uit te zweten. Hij liep hierbij echter wel een longontsteking op die hem uiteindelijk fataal werd.

Er bestaan slechts drie foto’s van de man. Over de autheticiteit van de tweede en de derde (onderaan met sigaret en portret) wordt nog getwijfeld.


Terraplane Blues



Love in Vain



Crossroads Blues




zondag 5 mei 2013

Reverend Gary Davis (1896 – 1972)




Ik heb altijd gehouden van de zgn. pre-war blues. Vandaag een kort stukje over een reus in het Blueslandschap, Reverend Gary Davis.

Geboren in South Carolina, werd hij blind op jonge leeftijd. Hij leerde op een rudimentaire manier gitaar spelen met alleen zijn duim en zijn wijsvinger. Toch wist hij een verbluffende techniek te ontwikkelen. Hij speelde niet alleen blues, maar ook Ragtime en gospelsongs. Hij speelde een unieke mix van al deze stijlen.

In de midden twenties emigreerde hij naar Durham, North Carolina waar hij samenwerkte met Blind Boy Fuller. Hij maakte ook zijn eerste opnamen hier in Durham in de jaren 1935 en 1936.

In de jaren veertig ging de bluesscene achteruit in het Zuiden en emigreerde hij  naar New York, waar hij bekend geraakte als de “Harlem Street Singer”, de persoon die je moest gezien hebben wilde je kunnen zeggen dat je gitaar kon spelen.

Zijn grootste successen kende hij wanneer hij rond de zestig was met songs als “Candy Man” ,  “Cocaine blues”, en instrumentals als “Buck’s Dance”, en “I didn’t want to join the band”.

Zijn reputatie als leraar was enorm.  Een hele rits van folkies uit begin zestiger jaren was zijn leerling. De voornaamste zijn : Stefan Grossman,  Jorma Kaukonen, Dave Van Ronk, e.a. (o.m. de jonge Dylan)

Hij speelde op verschillende folkfestivals o.m. het legendarisch Folkfestival van Newport (1959, 1965, 1967 en 1968)

Hij werd Baptist Minister gewijd en verdeelde zijn laatste jaren tussen God en de Gitaar.

Hij stierf in op 5 mei 1972 aan een hartaanval.  Hij was op weg naar een optredenin Newtonville in New Jersey. Hij overlijdtenkele uren laterin het William Kessler Memorial Hospital in Hammonton, New Jersey. Hij werd 76 jaar.

Zoals iedereen die iet of wat gitaar kan spelen had ik de nummertjes van de reverend leren kennen via Stefan Grossman. 




 

Ik heb de Reverend gezien op het Bilzen festival van 1971, in moeilijke omstandigheden. Elton John was aangekondigd als de top of the bill maar liet het op het laatste momentje afweten. Net op dat moment beklom een bejaarde man het podium en zette zich zonder veel poeha achter de microfoon.

Wat volgde was genoeg om een wolkenkrabber te laten instorten. Een oorverdovende stilte gleed over de wei van Bilzen en de Reverend zong, een half uurtje maar, maar genoeg om een onwisbare indruk na te laten.

Civil War March



Candy Man



Maple Leaf Rag



Cincinnati Slow Drag




Washington Phillips - Mother's last words to her son (1927)



Washington Phillips (Texas, 11 januari 1880 - Teague, Texas, 20 september 1954) was een gospelzanger, die eind jaren '20 16 nummers op het Columbia-label heeft opgenomen.

In total nam hij achttien nummers op tussen 1927 en 1929. Phillips begeleidt zichzelf op de "celestaphone". Van het instrument wordt gezegd dat het door Phillips zelf aangepast is.

O.m. Ry Cooder coverde zijn nummers "Denomination Blues" en "Tattler".


Mother's last words to her son (1927)




zaterdag 20 april 2013

I'm Five hundred (nine hundred) miles away from home - een zoektocht naar de bron van deze klassieker.




Voor mij begon het allemaal met de song van de franse Yéyé vedette Richard Anthony. Hij zong “J’entends siffler le train”.

Ik wou wel eens weten van waar hij die trein zo hoorde fluiten ? Richard Anthony zei dat het een vertaling was van de US Country hit van Bobby Bare, “Five hundred Miles” 


   Hedy West


1. Five hundred miles

"500 Miles" (ook bekend als "500 Miles Away from Home" of "Railroaders 'Lament') is een folksong  die vooral polpulair was  in de Verenigde Staten en Europa in de jaren 1960 gedurende de zgn.  folk revival.

De eenvoudige repetitieve tekst is een klaagzang van een reiziger die ver van huis is, geen geld meer heeft en te beschaamd is om terug te keren. Het lied wordt over het algemeen gecrediteerd als zijnde geschreven door Hedy West, terwijl sommige bronnen ook Bobby Bare, Curly Williams, en / of John Phillips als co-writers aangeven.

Hedy West zegt dat ze het lied leerde als kind van haar grootmoeder van vaderskant Lillie Mulkey West.

Maar het gaat veel verder terug : "500 Miles" gerelateerd aan een oudere folksong, "900 Miles", die zelf kan zijn oorsprong vindt in een zuidelijke Amerikaanse fiddle tune genaamd "Reuben's Train '.

Hedy West was een zanger en banjo-speler uit een Noord-Carolina folkies  familie. Waarschijnlijk heeft ze een oudere folktune wat meer opgeknapt en toegankeliker gemaakt, hier en daar de tekst aangepast om zo een meer populaire versie te maken en de credits. Hedy West overleed op 3 juli 2005, 67 jaar oud.

"500 Miles" is West “grootste hit” De eerste release van het nummer lijkt te zijn geweest op de 1961 titelloze debuut van de Journeymen. In de hiparade verscheen het lied in 1963 met Bobby Bare. Het werd door talloze artiesten opgenomen, waaronder oa Peter, Paul & Mary, The Kingston Trio, The Brothers Four en vele anderen.




2. Wat is de oorsprong van deze song ?

Blijkbaar gaat dit lied veel verder terug dan de versie Hedy West.

De auteur van volksmuziek is meestal anoniem. Folk songs zijn gemaakt door een gemeenschap, doorgegeven van generatie op generatie, komt ergens tot rust en past zich aan aan de plaatselijke noden en gewoonten. Dit is de reden waarom Bob Dylan zelden zijn eigen nummers twee keer op dezelfde manier zingt. Natuurlijk is er een stramien maar het principe blijft.

3."900 Miles" wordt  "500 Miles".

Deze song is in oorsprong een “train song”. Een folk vorm waarin de folk muzikant het heeft over een aantal mijlen, treinritten, bestemmingen en een eenzame stoomfluit.

   Fiddlin' John Carson
 

4. Nine Hundred Miles

In zijn huidige vorm is dit is een hillbilly blues. Woody Guthrie, de Okie balladeer en gitaar-picker, leerde het van een neger schoenpoetser in zijn woonplaats van Okema, Oklahoma.

De melodie dook op in vele vermommingen en kent variaties in het hele Zuiden.
In het tidewater land van Virginia noemen ze het de "Ruben Blues":

When old Reuben left home, he wasn't but nine days old,
When he come back he was a full grown man.
When he come back he was a full grown man.

They got old Reuben down and they took his watch and charm,
It was everything that poor boy had.
It was everything that poor boy had.

Bob Dylan’s “I was young when I left home” is een perfect voorbeeld van zo’n “verzamel” song. Gebaseerd voornamelijk op Guthries versie.

Verder naar het Westen, zingen de sharecroppers  :

I got my chickens in my sack and the hounds are on my track.
But I'll make it to my shanty 'fore day,
And I'll keep my skillet good and greasy all the time.


In Kentucky en Tennessee vertellen ze het verhaal van de trein die in de omgeving van een kolenmijn reed waar gevangenen dwangarbeid verrichtten.
 
The longest train that I ever seen,
Run around Joe Brown's coal mine,
The engine past (sic) at six o'clock,
And the last car passed by at nine.

Vandaag is de oudste directe uitloper van deze song de opname van Fiddlin’ John Carson als  “I’m nine hundred miles from home” (1924).


                      Emry Arthur

 
4. “R(e)uben's Train”

Ol Reuben made a train & he put it on a track
He ran it to the Lord knows where
Oh me, oh my ran it to the Lord knows where

Should been in town when Reuben's train went down
You could hear that whistle blow 100 miles
Oh me, oh my you could hear the whistle blow 100 miles

Last night I lay in jail had no money to go my bail
Lord how it sleeted & it snowed
Oh me, oh my Lord how it sleeted & it snowed

I've been to the East, I've been to the West
I'm going where the chilly winds don't blow
Oh me, oh my I'm going where the chilly winds don't blow

Oh the train that I ride is 100 coaches long
You can hear the whistle blow 100 miles
Oh me, oh my you can hear the whistle blow 100 miles

I got myself a blade, laid Reuben in the shade,
I'm startin' me a graveyard of my own.
Oh, me, oh lordy my, startin' me a graveyard of my own.

Deze song is de directe voorloper van “900 Miles” en wordt in de Appalaches gespeeld op clawhammer banjo.

De oudste opgenomen versie is deze van Emry Arthur

    Grayson & Whitter
 
5. Train 45"

Dit is een andere klassieke  "Train Song" op basis van hetzelfde gevoel. Tal van bluegrass spelers - o.a. Bill Monroe en de Stanley Brothers – hebben het gespeeld. Carter Stanley (Ruby Rakes) beweert de tekst te hebben geschreven, maar nogmaals, niemand kan echt worden aangeduid als de auteur.

Ik voeg de versie van "Grayson & Whitter" en "The New Lost City Ramblers" toe.



   Leadbelly
 

6. "In the Pines"

Misschien is dit de oervorm van de zuidelijke ballade voor het zwarte meisje (dark girl).

Overal waar deze melodie opdook gaat het over melancholie, een verlangen naar verre oorden in de richting van dingen die verloren en onherstelbaar zijn. In "Nine Hundred Miles" is dit thema uitgegroeid tot de meest beklijvende van alle spoorweg bluessongs.

Net als tal van andere volksliederen werd  "Where Did You Sleep Last Night" doorgegeven van de ene generatieaan de andere, van mond tot mond.

De eerste gedrukte versie van het lied  door Cecil Sharp, verscheen in 1917, en bestond uit slechts vier lijnen en een melodie. De lijnen zijn:

Black girl, black girl, don't lie to me
Where did you stay last night?
I stayed in the pines where the sun never shines
And shivered when the cold wind blows


In 1925 werd een versie van het lied opgenomen op fonograaf cilinder door een folk verzamelaar.

Dit was het eerste opgenomen spoor van een oude traditie. Deze variant van "The Longest Train"  heeft een strofe over "De langste trein die ik ooit zag".

Waarschijnlijk is deze strofe een eigen leven gaan leiden. In verschillende “folksongs” of “negrsongs” komt dit thema nu terug.

Muziek historicus Norm Cohen zegt in zijn boek "Long Steel Rail: The Railroad in American Folksong” ( 1981) volkslied," the song came to consist of three frequent elements: a chorus about "in the pines", a stanza about "the longest train" and a stanza about a decapitation, though not all elements are present in all versions. “

De song werd opgepikt door verschillende hillbilly bands.

De persoon die “in the pines” gaat of onthoofd is beschreven als een man, een vrouw, een puber, een vrouw, een echtgenoot of een ouder. De “Pines” (de dennen) staan symbool voor de  seksualiteit, dood of eenzaamheid. De trein staat als symbool voor de doder van een geliefde, of als het verlaten van zijn geliefde.

In andere varianten wordt een confrontatie beschreven. De persoon die wordt op de proef gesteld is altijd een vrouw, nooit een man.

De Kossoy Sisters folk-versie vraagt: "Little girl, little girl, where'd you stay last night? Not even your mother knows." Het antwoord op de volgende vraag "Where did you get that dress, and those shoes that are so fine?" is "from a man in the mines, who sleeps in the pines." Het thema is duidelijk. Een vrouw wordt betrapt op iets wat ze niet hoorde te doen.
Een variante is deze van Ora Ellison in Lookout Mountain Georgia. Hier gaat het om de verkrachting van een jonge meid uit Georgia die “in the pines” vlucht uit schaamte. Haar verkrachter, een jonge soldaat wordt onthoofd door de trein.

Mrs. Ellison denkt dat deze song is ontstaan kort na de burgeroorlog.
De oudste versie van deze gaat terug naar de Peg Leg Howell blues "Rolling Mill Blues".

Andere bekende versies zijn: Leadbelly, Doc Watson, The Louvin Brothers ...

Het lied werd vreemd genoeg ook opgenomen door The Journeymen onder de titel: "Black Girl", dat brengt ons terug naar waar we begonnen, en sluit de cirkel.


   Peg Leg Howell and his Gang in Atlanta (1931)

 
Dit is wat ik verzamelde :

1924 - Fiddlin John Carson - I'm Nine Hundred Miles from Home
1929 - Grayson & Whitter - - Train 45
1929 - Peg Leg Howell - Rolling Mill Blues
1930 - Emry Arthur - Reuben Oh Reuben
1935 - Leadbelly - Where Did You Sleep Last Night
1945 - Woody Guthrie - 900 Miles (BBC Recording Children's hour)
1953 - Cisco Houston & Woody Guthrie - 900 Miles
1953 - Red Smiley - 900 Miles
1959 - The New Lost City Ramblers - Train 45
1961 - Barbara Dane - Nine Hundred Miles
1961 - The Journeymen - 500 Miles
1961 - The Journeymen - Black Girl
1962 - Bob Dylan - I Was Young When I Left Home (Home recording)
1962 - Kingston Trio - 500 Miles
1962 - Lonnie Donegan - 500 Miles Away From Home
1962 - Mac Wiseman - In the Pines
1962 - Peter, Paul and Mary - 500 Miles
1963 - Bobby Bare - Five Hundred Miles
1963 - Dock Boggs - Ruben's Train
1963 - Hedy West - 500 Miles











zondag 14 april 2013

Op de draaitafel : John Mayall and the Bluesbreakers - Bare Wires (1968)




John Mayall was de vader van de Britse blues.

Zowat elke bluesgitarist van betekenis in Engeland passeerde via hem en zijn Blues Breakers.

Hij had toegang tot zeer veel oude, Amerikaanse bluesplaten en was vooral onder de invloed van de Chicago Blues.

Dit album was zijn best verkochte.

Toch is het niet een onverdeeld succes in mijn ogen. 




 

De bezetting :

John Mayall – zang, harmonica, piano, harpsichord, orgel, harmonium, gitaar
Mick Taylor – lead guitar, Hawaiiaanse gitaar
Chris Mercer – tenor, baritone saxophone
Dick Heckstall-Smith – tenor, soprano saxophone
Jon Hiseman – drums, percussie
Henry Lowther – cornet, viool
Tony Reeves – string bass, basgitaar

Kant A bevat de suite Bare Wires, een soort potpourri van meer dan 20 minuten met enkele interessante tempo- en stijlwisselingen en zelfs wat jazzinvloeden. Niet slecht maar je bent het vergeten vooraleer het nummer ten einde is.

De echte John Mayall is terug te vinden op kant B. Daarop toont John Mayall waarom elke Britse bluesgitarist aan hem schatplichtig is. Mooie blues songs die goed in elkaar zitten en waarop elke muzikant zich volledig kan uitleven.

Dit album was het laatste waarop de naam “Bluesbreakers” voorkwam. Mick Taylor zou spoedig de groep verlaten om bij de Rolling Stones te gaan soleren, Hiseman, Reeves, and Heckstall-Smith vormden Colosseum  en John Mayall zou verder gaan als trio met Jon Mark en John Almond. In die bezetting zag ik Mayall in het Brusselse theatre 140.

Bare Wires is voor de helft steengoed, de andere helft is.... een leuk extraatje.

I'm a stranger



Hartley Quits




zaterdag 13 april 2013

Joe Turner - Presenting Joe Turner (1958)



Big Joe Turner, geboren als Joseph Vernon Turner Jr. (Kansas City, 18 mei 1911 - Inglewood, 24 november 1985) was een Amerikaans blueszanger.

Hoewel zijn grootste faam in de jaren vijftig begon met zijn rock-'n-roll-hits, zoals het nummer Shake, Rattle and Roll, strekt zijn carrière van de jaren twintig tot de jaren tachtig.

Turner had meerdere bijnamen, waaronder The Boss of the Blues en Big Joe Turner (vanwege zijn postuur). Hij ontdekte zijn liefde voor muziek door de betrokkenheid met de kerk. Zijn vader kwam om in een treinongeluk toen Turner vier jaar oud was. Hij begon met zingen op straat voor geld en verliet school op 14-jarige leeftijd. Vervolgens ging hij werken in clubs in Kansas City, eerst als een kok, later als ober. Na een tijd werd Turner bekend als The Singing Bartender (de zingende barman). Turner ging zingen in clubs als The Kingfish Club en The Sunset. Turner en zijn pianospelende partner Pete Johnson werden lokaal bekende artiesten.

Na een lange samenwerking met pianist Pete Johnson - waar voornamelijk R&B en Boogie Woogie werden gebracht - maakte Joe Turner kenis met dAhmet en Nesuhi Ertegün, die Turner lieten tekenen voor een nieuw label: Atlantic Records. Turner maakte een paar hits met het standaard bluespatroon. "Chains of Love" en "Sweet Sixteen" maakte hem een tienerfavoriet en verbeterde zijn succes nog voor de hit Shake, Rattle and Roll. Hiermee hielp hij ook het transformeren van de populaire muziek.

Hoewel de cover van het nummer Shake, Rattle and Roll van Bill Haley & His Comets een grotere hit werd dan die van Turner, zochten veel luisteraars de versie van Turner en werden daarbij geïntroduceerd in de wereld van de R&B. Elvis Presley liet zien dat hij zo'n introductie niet nodig had. Zijn versie van het nummer combineerde Turners teksten met Haleys arrangement, maar dat werd geen succesvolle single.

Deze EP uit 1958 vond ik jaren geleden op een rommelmarkt, in quasi perfecte staat. Een echte collectors item.


Luister vooral naar het wonderlijke "Corrina, Corrina"






vrijdag 5 april 2013

"Bob" "The Bear" Hite (1943 – 1981)



Op 5 April 1981 treedt Canned Heat op in het Palamino te Los Angeles. Na afloop van het concert overlijdt mondharmonika speler en zanger Bob "The Bear" Hite, aan de gevolgen van een hartaanval.

Robert Ernest "Bob" "The Bear" Hite (26 Februari 1943 – 5 April 1981) was een cruciaal onderdeel van de West Coast Blues revival van de late jaren 1960. Samen met collega-musicoloog Alan 'Blind Owl' Wilson jr. vormde hij de eerste incarnatie van de legendarische Canned Heat als Jug Band.

Hun optredens op het 1967 Monterey Pop Festival en het Woodstock Festival 1969 zette de groep op de kaart als ware Bluesmen.

Bob Hite, oprichter en zanger van de onvergetelijke groep Canned Heat, had zelf een van de meest indrukwekkende collecties van Amerikaanse 78 toerenplaten.

Hij begon met verzamelen op een zeer jonge leeftijd.

Hij had er altijd van gedroomd om in een boogie-band te spelen. Zijn doel : hulde brengen aan de pioniers, al die grootheden die de fundamenten voor de blues muziek hebben gelegd.

Voordat hij bij Canned Heat kwam, was hij al werkzaam in diverse platenzaken in Venice Beach, een voorstad van Los Angeles.

Door de jaren heen is Bob Hite nooit gestopt met het uitbreiden van zijn verzameling. Hij kocht platen over de hele wereld. Voornamelijk de 78rpm race records waren zijn ding.

Hij stond bekend om grote partys te houden in zijn villa, waar hij dan tot in de vroege uurtjes snuisterde in zijn immense platencollectie.

Na de dood van Bob Hite, werd deze fabelachtige collectie gedecimeerd, deels verkocht, uiteengereten, en zelfs geplunderd ...


Eddie Hope and The Mannish Boys - A Fool No More (1956 Marlin)