Posts tonen met het label Return of the Dancing Master. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Return of the Dancing Master. Alle posts tonen

woensdag 8 mei 2013

Robert Johnson (1911 – 1938)





Robert Leroy Johnson (Hazlehurst (Mississippi), 8 mei 1911 – Three Forks (Mississippi), 16 augustus 1938) is één van de invloedrijkste Amerikaanse bluesartiesten aller tijden. 


Hoewel hij slechts 27 werd, maar twee opnamesessies heeft gedaan en maar een twintigtal songs naliet, is hij hét voorbeeld voor veel blueszangers en -gitaristen.

Robert Leroy Johnson woonde het eerste deel van zijn leven op een plantage bij Hazelhusrt waar hij zichzelf leerde bluesharp spelen, maar het was zijn wens om de gitaar te leren beheersen. Binnen zeer korte tijd lukte het hem, met behulp van onder meer de al even mysterieuze Ike Zinneman, om het instrument meer dan voldoende te beheersen.

Deze prestatie bracht de fabel in de wereld dat Johnson zijn ziel had verkocht aan de duiver. Hij zou op een nacht naar een kruispunt zijn gegaan om daar gitaar te gaan spelen. Om middernacht zou hij benaderd zijn door een grote, donkere man (de duivel), die hem zijn instrument afpakte, het voor hem stemde, en het, in ruil voor zijn ziel, aan hem teruggaf,  waarna hij het perfect zou kunnen bespelen.

Hazelhurst ligt dicht bij Crystal Springs, Mississippi, waar de populaire Delta gitarist Tommy Johnson (geen familie) woonde en werkte. Robert Johnson trouwde hier en oefende ondertussen zijn picking. Hij leerde nieuwe liedjes van grammofoonplaten.

Het is hier dat hij in de ban raakte van de mysterieuze gitarist Ike Zinnerman, een man waarvan de lokale bevolking beweert dat Johnson hem perfect kon nabootsen.

Dan steekt Robert Johnson opnieuw de kop op in Robinsonville vele maanden later zonder zijn vrouw, maar met een verpletterende gitaartechniek en een groot aantal nieuwe nummers. Die klinken verdacht veel als Lonnie Johnson (geen familie), Skip James, Peetie Wheatstraw, Scrapper Blackwell, en Kokomo Arnold.

Hier komt de fabel boven van de ontmoeting met de duivel op de “crossroads”. Hoewel Johnson’s nummers werden afgeleid van andere musici, hebben zij een zeer persoonlijke benadering van bekende thema’s als verlies, isolement en paranoia.

Johnson speelde overal, van de Kitty Cat Club in Helena, Arkansas tot de straten van Friars Point aan de voorkant van Drugstore Hirsberg’s. Zijn reislust nam hem mee naar steenkoolmijnen, speakeasies, dijk kampen, en tavernes in de Midwest, aan de oostkust, en zelfs in Canada. Maar het waren die weinige opnamen van hem die de grootste impact zouden hebben.

Robert Johnson nam tweemaal op, eerst in San Antonio, Texas, in november 1936 en opnieuw in Dallas, Texas, in juni 1937. De negenentwintig liedjes die hij opgenomen heeft tijdens deze twee sessies zijn de hoekstenen van de delta blues.

Na een van zijn optredens kreeg hij vergiftigde whiskey – waarschijnlijk een actie van een jaloerse echtgenoot van een van zijn scharrels. Hij werd overgebracht naar Greenwood, waar hij het gif binnen enkele dagen door ziekte wist uit te zweten. Hij liep hierbij echter wel een longontsteking op die hem uiteindelijk fataal werd.

Er bestaan slechts drie foto’s van de man. Over de autheticiteit van de tweede en de derde (onderaan met sigaret en portret) wordt nog getwijfeld.


Terraplane Blues



Love in Vain



Crossroads Blues




zondag 5 mei 2013

Reverend Gary Davis (1896 – 1972)




Ik heb altijd gehouden van de zgn. pre-war blues. Vandaag een kort stukje over een reus in het Blueslandschap, Reverend Gary Davis.

Geboren in South Carolina, werd hij blind op jonge leeftijd. Hij leerde op een rudimentaire manier gitaar spelen met alleen zijn duim en zijn wijsvinger. Toch wist hij een verbluffende techniek te ontwikkelen. Hij speelde niet alleen blues, maar ook Ragtime en gospelsongs. Hij speelde een unieke mix van al deze stijlen.

In de midden twenties emigreerde hij naar Durham, North Carolina waar hij samenwerkte met Blind Boy Fuller. Hij maakte ook zijn eerste opnamen hier in Durham in de jaren 1935 en 1936.

In de jaren veertig ging de bluesscene achteruit in het Zuiden en emigreerde hij  naar New York, waar hij bekend geraakte als de “Harlem Street Singer”, de persoon die je moest gezien hebben wilde je kunnen zeggen dat je gitaar kon spelen.

Zijn grootste successen kende hij wanneer hij rond de zestig was met songs als “Candy Man” ,  “Cocaine blues”, en instrumentals als “Buck’s Dance”, en “I didn’t want to join the band”.

Zijn reputatie als leraar was enorm.  Een hele rits van folkies uit begin zestiger jaren was zijn leerling. De voornaamste zijn : Stefan Grossman,  Jorma Kaukonen, Dave Van Ronk, e.a. (o.m. de jonge Dylan)

Hij speelde op verschillende folkfestivals o.m. het legendarisch Folkfestival van Newport (1959, 1965, 1967 en 1968)

Hij werd Baptist Minister gewijd en verdeelde zijn laatste jaren tussen God en de Gitaar.

Hij stierf in op 5 mei 1972 aan een hartaanval.  Hij was op weg naar een optredenin Newtonville in New Jersey. Hij overlijdtenkele uren laterin het William Kessler Memorial Hospital in Hammonton, New Jersey. Hij werd 76 jaar.

Zoals iedereen die iet of wat gitaar kan spelen had ik de nummertjes van de reverend leren kennen via Stefan Grossman. 




 

Ik heb de Reverend gezien op het Bilzen festival van 1971, in moeilijke omstandigheden. Elton John was aangekondigd als de top of the bill maar liet het op het laatste momentje afweten. Net op dat moment beklom een bejaarde man het podium en zette zich zonder veel poeha achter de microfoon.

Wat volgde was genoeg om een wolkenkrabber te laten instorten. Een oorverdovende stilte gleed over de wei van Bilzen en de Reverend zong, een half uurtje maar, maar genoeg om een onwisbare indruk na te laten.

Civil War March



Candy Man



Maple Leaf Rag



Cincinnati Slow Drag




Washington Phillips - Mother's last words to her son (1927)



Washington Phillips (Texas, 11 januari 1880 - Teague, Texas, 20 september 1954) was een gospelzanger, die eind jaren '20 16 nummers op het Columbia-label heeft opgenomen.

In total nam hij achttien nummers op tussen 1927 en 1929. Phillips begeleidt zichzelf op de "celestaphone". Van het instrument wordt gezegd dat het door Phillips zelf aangepast is.

O.m. Ry Cooder coverde zijn nummers "Denomination Blues" en "Tattler".


Mother's last words to her son (1927)




woensdag 22 augustus 2012

The Return of the Dancing Master




Vanaf nu zal ik een speciale rubriek inlassen op regelmatige basis. Ik noem ze "The Return of the Dancing Master"

Je zal onmiddellijk begrijpen waarom...

Even dit....

Vroeger was er "Merlin in Rags", mijn blog in het Engels, die door velen zeer geapprecieerd werd. Merlin stond op een bepaald moment in de top vijftig van de blogs over Folk en Blues. Met een rating van zo'n 1500 mensen per dag die de blog bezochten.

Omwille van een aantal dingen waar ik nu niet wil op ingaan ben ik gestopt met deze blog.

De reacties waren enorm. Ik kreeg een massa emails met vragen naar het waarom en of ik ooit nog terug kwam.

Ik heb alles wat laten bezinken en ben dan opnieuw gestart, zij het lichtjes anders. Met "The return of the dancing master" ging het weer dezelfde kant op. Al gauw stond mijn mailbox vol, met verzoekjes, met vragen, enz...

Beide blogs waren in het engels en dus wereldwijd gelezen.

Daarom ben ik met iets nieuws begonnen in mijn eigen taal, het Nederlands. Na "Mijn Kleine Louvre", een probeerseltje op Wordpress, begon ik met wat beters op Wordpress, de voorloper van deze blog hier.

Ondertussen had ik ook nog een andere blog "McLuhans Garden", die vooral gewijd was aan de wonderlijke wereld van de EP's, waarvan ik er zo'n 4000 heb. Met die blog ben ik ook gestopt zo ongeveer in de helft van voorig jaar.

Ondertussen blijft mijn mailbox - nu toch wat minder dan vroeger - vragen opleveren naar "Merlin in Rags".

Folk en Blues, Beat en Psychedelia, en EP's zijn mijn grote liefdes.

Er staan nu bijna 400 items op deze blog. Ik zal daarom vanaf nu regelmatig eens teruggaan naar wat er op de vorige blogs is verschenen, deels omdat ik dat zo mooi vindt, deels omdat men het mij vraagt. 

Voor mijn Engelstalige volgers bestaat er nog altijd zoiets als Google Translate, niet perfect maar genoeg om te volgen. En waarom niet op sommige momenten gewoon de vroegere (engelse) tekst overnemen ?

We zien wel.

PS. Het meisje op de foto naast Reverend Gary Davis is Megan Ochs, dochter van Alice en Phil Ochs

dinsdag 21 augustus 2012

Shirley Collins - Heroes in Love (Topic EP TOP95) 1963.



Shirley Collins - Heroes in Love, TOPIC EP (Topic TOP95)

Shirley Elizabeth Collins (Hastings, Sussex, 5 juli 1935) is een Engelse folkzangeres.

Ze is een van de grootheden in de Engelse Folkmuziek. Ze heeft belangrijke bijdragen geleverd aan het English folk revival van de vijftiger en zestiger jaren van de vorige eeuw. Zij trad vaak op met haar zuster Dolly, (geboren 5 maart 1933, Hastings, Sussex, overleden in 1995), die haar uniek ondersteunde op de piano en orgel. Van haar muzikale familie heeft zij ook veel opgestoken. Na het verlaten van school kwam Shirley terecht op een opleiding voor onderwijzers in Londen en maakte kennis met de folk revival op een feest, in 1954 georganiseerd door Ewan MacColl. Ook Alan Lomax, de bekende Amerikaanse verzamelaar van volksliederen, was daar aanwezig.

Zij raakte bevriend met Lomax en zij gingen toeren in de Verenigde Staten tot november 1959 en dat resulteerde in een aantal albums die werden uitgebracht onder het thema Sounds of the South.

Terug in Engeland ging zij verder met haar zang loopbaan en in 1964 werkte zij aan de zuid-Engelse zangcollectie The Sweet Primeroses begeleid door haar zuster op orgel. In 1969 had zij een ander project, deze keer met The Young Tradition (met Peter Bellamy, Heather Wood en Royston Wood) en Dolly Collins genaamd The Holly Bears a Crown.

Collins trouwde met Ashley Hutchings in 1971. Hij verliet Steeleye Span en het stel vormde de akoestische Etchingham Steam Band. Daarna volgde een indrukwekkende productie van albums.

Billy Bragg zei over haar: "Shirley Collins is ongetwijfeld één van Engelands grootste culturele bezittingen."

Dit is een EP van haar uit 1963 op het befaamde TOPIC Label. Shirley Collins speelt 5 string banjo, dulcimer, gitaar en zingt. Een van de pareltjes uit mij kollektie.









woensdag 1 augustus 2012

The Young Tradition – Chicken on a Raft (Transatlantic TRA EP 166) - 1967.



The Young Tradition waren een Britse folkgroep van de jaren 1960, gevormd door Peter Bellamy, Royston Wood en Heather Wood (geen verwantschap !).

Ze namen drie albums op. Voornamelijk traditionele Britse folk die a capella werd gezongen.

The Young Tradition werd per toeval gevormd. Peter Bellamy ontmoette  Royston Wood wanneer ze bij een gemeenschappelijk vriend kampeerden. Ze zongen ’s avonds wat en ontdekten hun gemeenschappelijke liefde voor oude Engelse folk en harmonie.

Heather Wood zag ze samen optreden in een folk club en stapte gewoon het podium op en zong mee. Ze is er bijgebleven.

Hun harmoniën zijn vooral schatplichtig aan de Copper familie. Maar ook andere invloeden spelen. Royston Wood is een adept van oude muziek en Heather houdt van de Everly Brothers.

In 1969 splitte de groep. Peter Bellamy zong alleen verder. Royston zong kort bij Swan Arcade, zeer de moeite waard.

Peter Bellamy pleegde zelfmoord in 1991, Royston Wood stierf in een autoongeluk in 1990. Heatler leeft in New York.

Ze brachten drie LP’s uit, stuk voor stuk meesterwerken. In 1967 brachten ze ook een EP uit.

Dit is ze.





                                                                  Peter, Heather en Royston

woensdag 11 juli 2012

Kokomo Arnold - Milk Cow Blues (1934)




Kokomo Arnold - Milk Cow Blues (1934)

Opgenomen op 10 september 1934 voor DECCA Records in Chicago.

Elvis Presley had al een versie van de song opgenomen voor SUN, onder de titel "Milk Cow Blues Boogie" in 1954.

Ook Bob Dylan kende de song. Zo goed zelfs dat de eerste strofe van zijn song "Quit your lowdown Ways" uit 1963 letterlijk is overgenomen uit Kokomo Arnolds blues.

"Quit your lowdown ways" was een "Freewheelin" outtake en kwam pas uit op "The Bootleg Series, Vol 1-3 : Rare and Unreleased" van 1991.

"Oh, you can read out your Bible
You can fall down on your knees, pretty mama
And pray to the Lord
But it ain’t gonna do no good

You’re gonna need
You’re gonna need my help someday
Well, if you can’t quit your sinnin’
Please quit your low down ways"

Luister maar.

Kokomo Arnold - Milk Cow Blues



woensdag 16 mei 2012

The House of the Rising Sun



The House of the Rising Sun, een zoektocht naar de oorsprong.

De song dateert waarschijnlijk uit de 18e eeuw Amerikaanse folk-traditie, maar op 15 september 1937 nam folklorist Alan Lomax een 16-jarige Miner's Dochter, Georgia Turner op. Zij zong de song in Middlesborough, Kentucky. Ze kreeg  117  $.




 
De oudst gekende opname is deze van Tom Clarence Ashley & Gwen Foster als “The Rising Sun Blues” uit 1934 op het Vocalion label.

Tom Clarence Ashley & Gwen Foster als The Rising Sun Blues, gezongen vanuit een mannelijk standpunt, met een Jimmie Rodgers-achtige yodelgitaar aan het begin (die toen trouwens nog maar net een paar maanden dood was) en geheel in het midden latend of het hier om een bordeel dan wel om een nor gaat ("...to spend the rest of my weary life beneath that rising sun"). Tom zat in dezelfde Medicine show als Roy Acuff (Doc Hauer's) en leerde hem die song. Zelf beweerde Tom het van zijn grootmoeder (Enoch Ashley) te hebben geleerd. Eigenlijk is het een song om effectief door vrouwen gezongen te worden. Het Library of Congress had notie van die song sedert 1925, zij het toen zonder enige verwijzing naar New Orleans. Nooit gepubliceerde maar wel (onder mijnwerkers) oraal overgeleverde vuile versies uit de Ozark Mountains (Arkansas) reveleren onmiskenbaar een bordeelachtergrond (in Baxter Springs, ginder net over de grens met Kansas) en terug te voeren tot minstens 1905.

 


De melodie is verwant aan Lord Barnard And Lady Musgrove, een song uit Suffolk, Engeland. De melodie vertoont ook enige gelijkenis met die van Engelse ballade Matty Groves (1600s).
Alan Lomax noteerde ooit volgende zin in een song van folkzanger Harry Cox (uit Norfolk): "If you go to Lowestoft and ask for the Rising Sun, there you'll find two old whores, and my old woman's one". Er heeft ooit inderdaad een Rising Sun pub bestaan in dat vissersdorp, ook al omdat die plaats zo ver in het oosten van Engeland ligt (The Town Of The Rising Sun). Niet voor niets is er een boek verschenen uitsluitend over dit lied: Chasing The Rising Sun van Ted Anthony (Simon & Schuster).



 
Roy Acuff nam het nummer op op 3 november 1938. Hij kan het geleerd hebben van Smoky Mountain artiesten als Clarence Ashley of de Callahan Brothers, een invloedrijke duet uit de jaren '30 en '40. In 1941 nam Woody Guthrie er een versie van op.  In het najaar van 1948 nam Lead Belly een versie op met de naam "In New Orleans" in de sessies die later bekend werden als Lead Belly's Last Sessions (1994, Smithsonian Folkways.


 
Covers zijn : Homer Callahan (1935) [als Rounder's Luck; een van de Callahan Brothers, een broederpaar uit North Carolina, grootgebracht op een dieet van traditionele ballads en gospels], Georgia Turner (1937) [als The Rising Sun Blues; opname van Alan Lomax in Middlesboro, Kentucky, eindelijk uit op Lomax's Popular Songbook cd ('03); hoewel dit de versie was die binnen New Yorkse folk revival-kringen circuleerde, vingen de erven Turner hier amper $117.50 voor], Roy Acuff (1938) , Almanac Singers (1941) [Alan Lomax opname], Woody Guthrie (1941) [samen met Lead Belly, Cisco Houston, Sonny Terry en Bess Hawes op Folkways], Josh White (1942) [eerst solo, later als begeleider van Libby Holman; hij zwart, zij blank, hun gezamenlijke optredens waren toen niet evident; op toernee bracht dat een storm van verontwaardiging teweeg; banned by the BBC], Libby Holman (1942) [goed geplaatst om zoiets triest te zingen: haar eerste man werd vermoord, een minnaar overleed in een vliegtuigongeluk, haar tweede echtgenoot pleegde zelfmoord, haar zoon overleed tijdens een bergtocht en ze pleegde zelfmoord door de motor te laten draaien van haar eigen Rolls Royce], Lead Belly (1948) , Weavers (1949) [zang: Ronnie Gilbert], Hally Wood (1953) [op album O' Lovely Appearance Of Death; leerde het van de Georgia Turner opname], Glenn Yarbrough (1957) , Lonnie Donegan (1959) , Charlie Byrd (1960) , Nina Simone (1961) [Live At The Village Gate; dus voor Dylan en The Animals, zelfs voor Dave Van Ronk], Carolyn Hester (1961) , Doc Watson (1962) [samen met de originele Tom Clarence Ashley], Sundowners (1962) [eerste Engelse band met een versie; geboycot door BBC], Bob Dylan (1962) [die het van Dave Van Ronk leerde; nam na de Animals-versie gehoord te hebben een elektrische versie op, achteraf terechtgekomen op zijn cd-rom Highway 61 Interactive], Rambling Jack Elliott (1963) , Marie Laforet (1963) [in het Engels, voor The Animals en Johnny Hallyday], Animals (1964) [n°1 UK & US; kenden het van Josh White (die nochtans gebannen was op de BBC!) en wellcht ook van Nina Simone; versie die Dylan over de streep trok om zelf voluit ook elektrisch te gaan], Dave Van Ronk (1964) [leerde het van de Hally Wood versie], Johnny Hallyday (1964) [als Le Penitencier], Marianne Faithfull (1964) , Donald Byrd (1964) , Ventures (1964) , Tracy Nelson (1965) , Joan Baez (1965) , Marcellos Ferial (1965) [als La Casa Del Sole], Duane Eddy (1966) , Gil Bateman (1966) [als Daddy Walked In Darkness; tekst: Hoyt Axton], Everly Brothers (1967) , Tim Hardin (1967) , Chambers Brothers (1969) , Frijid Pink (1970) , Jody Miller (1973) , Santa Esmeralda (1978) , Barbarians (1979) , Dolly Parton (1981) , Buster Poindexter (1987) , Frank Tovey (1989) , Tracy Chapman (1990) , Rage (1993) , Walkabouts (1994) , Mac Benford & The Woodshed All-Stars (1996) , Wyclef Jean (1997) [melodie in Sang Fezi], Snakefarm (1999) [met Anna Domino als Rising Sun], EverEve (2000) , Blind Boys Of Alabama (2001) [als Amazing Grace op de melodie van House Of The Rising Sun], Coco Jr. & Vibes Alive (2001) , Toto (2002) , Muse (2002) , Be Good Tanyas (2003) , Helmut Lotti (2003) , Roxy Perry (2005) , Moaners (2005) [als Paradise Club], Brendan Croker & Bruno Deneckere (2010) .



                                          New Orleans Parish Prison
 

Het Huis.

Hoewel de uitdrukking "House of the Rising Sun"  vaak wordt gezien als een eufemisme voor een bordeel ( het is echter niet bekend of het huis dat wordt beschreven een echte of een fictieve plaats is), vertelt het oorspronkelijke nummer het verhaal van een jonge vrouw, een dochter die haar vader heeft vermoord, die een alcoholist en gokker was die zijn vtouw sloeg.

Daarom lijkt het erop dat “het Huis van de rijzende zon” eerder een gevangenis is,  van waaruit de zanger de zonsopgang ziet vanwege de Oost-locatie, in Louisiana.



 
"There is a house in New Orleans..." Volgens songarchivaris Alan Lomax kenden heel wat jazzmuzikanten uit New Orleans de song al van voor W.O. 1 en geen wonder: het stikte ginder van de échte Houses of the Rising Sun in en om de French Quarter: er was een Rising Sun Coffee House op nr 9, Old Levee Street (tegenwoordig nr 115, Decatur Street), er was het Rising Sun Hotel in Conti Street (afgebrand in 1822 en waar laatst door archeologen opvallend veel potjes lipstick en poederdozen werden opgegraven) en er was het bordello van Madame Marianne Du Soleil Levant op nr 826-830, St. Louis Street, waar je niet alleen terecht kon voor wereldlijke geneugden maar waar ook spirituele ceremonieën werden gehouden, getuige twee oude rituele voodoo-altaren die daar nu nog staan.

Het huis waarover sprake in de song is daarom misschien onmiskenbaar een bordeel, maar het oorspronkelijke House was dat daarom niet noodzakelijk. Zoals café Onder De Toren naar de nabijgelegen kerk verwijst, zo verwijst het ball & chain-vers in de laatste strofe en de Franse vertaling van Johnny Hallyday (Le Pénitencier) net zo goed in de richting van een nor. 


 
Dave Van Ronk, de man van wie Dylan dit nummer leerde, beweerde ooit een foto te hebben gezien van de Parish Prison van New Orleans (afgebroken in 1895) met in een rond raam pal boven de ingang tot de vrouwenafdeling, een opgaande zon motief zoals in de vlag van Japan (het land van de rijzende zon). Wat het - nog altijd volgens Van Ronk - volkomen aannemelijk maakt dat toen hele bevolkingslagen best wel zullen geweten hebben welk huis men bedoelde als van iemand in New Orleans werd gezegd: "He/she's in the House of the Rising Sun". 


                                                Clarence Ashley



1. Ashley and Foster - The Rising Sun Blues (1934)



2. Homer Callahan - Rounder's Luck(1935)



3. Georgia Turner - Rising Sun Blues (1937)



4. Roy Acuff - The Rising Sun (1938)



5. The Almanac Singers - The House of the Rising Sun (1941)



6. Woody Guthrie - The House of the Rising Sun (1941)



7. Josh White - The House of the Rising Sun (1942)



8. Libby Holman - The House of the Rising Sun (1942)



9. Leadbelly - In New Orleans (1948)



10. Hally Wood - The House of the Rising Sun (1953)



11.Nina Simone - The House of the Rising Sun (1961)



12. Doc Watson - The House of the Rising Sun (1962)



13. Dave Van Ronk - The House of the Rising Sun (1962)



14.  Bob Dylan - The House of the Rising Sun (1962)



15. The Animals - The House of the Rising Sun (1964) 



16. Bob Dylan - The House of the Rising Sun (Electric) (1964)






woensdag 25 april 2012

The Fisher Family - Joy of my heart (1965)




Sing ye o' the cuillins of Skye
Of Harris and Eigg and fair Iona
Joy of my heart Eallann Mulla

Whether I wander East or West
Waking or dreaming thou art with me
Joy of my heart Eallann Mulla

Peat and heather how they call me
Little wee bothan by the hillside
Joy of my heart Eallann Mulla

Whether I wander East or West
Waking or dreaming thou art with me
Joy of my heart Eallann Mulla

Friendly hearts are waiting to cheer me
Welcoming arms are there to hold me
Joy of my heart Eallann Mulla

Whether I wander East or West
Waking or dreaming thou art with me
Joy of my heart Eallann Mulla


Archie Fisher (Glasgow, 23 oktober 1939) is een Schotse volkszanger.

Zijn zusters Ray en Cilla Fisher, zijn ook zangers.

In 1960 ging hij naar Edinburgh en trad op in de folk club The Howff van Roy Guest. In 1962 producerden Ray en Archie een single op het Topic Records label, Far Over the Forth. Zij traden op in het BBC-programma Hootenanny.

In 1965 produceerde de hele familie een album Traditional and New Songs from Scotland. Vanwege het Edinburgh Folk Festival ontstond in 1964 het album Edinburgh Folk Festival vol 2 met opnames van Ray Fisher, Archie Fisher, Anne Briggs, en The Ian Campbell Folk Group met Dave Swarbrick.

In 1983 begon hij met een folk programma op Radio Scotland, genaamd Travelling Folk. . Dat loopt nog steeds. Archie toerde door Canada en de Verenigde Staten. Hij woont nu in het noorden van Engeland.


The Fisher Family



Archie Fisher