Posts tonen met het label Stemmen uit het hiernamaals. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Stemmen uit het hiernamaals. Alle posts tonen

woensdag 16 oktober 2013

Charley Patton (1891 – 1934)




Charlie (of Charley) Patton was de eerste grote bluesman uit de Delta. Hij verenigde in zich ongeveer alles wat men van een Delta-bluesman kon verwachten: een zeer rauwe stem die het harde labeur en hert moeilijke leven uitdrukten, een rauwe en percussieve gitaarstijl.

Zeer dikwijls speelde hij slide guitar (of bottleneck gitaar – de gitaar wordt dan bespeeld met een flessenhals, wat een glijdend effect maakt). Zijn liedjes  spraken over verloren liefdes, dood en de natuur.
 


Hij maakte o.m. “High Water Everywhere” over de grote overstromingen in Mississippi in 1927, en “Oh Death” een gebed voor de dood van zijn geliefde.
 


“Well, backwater done rose all around Sumner now,
drove me down the line
Backwater done rose at Sumner,
drove poor Charley down the line
Lord, I’ll tell the world the water,
done crept through this town

Lord, the whole round country,
Lord, river has overflowed
Lord, the whole round country,
man, is overflowed
You know I can’t stay here,
I’ll go where it’s high, boy
I would go to the hilly country,
but, they got me barred

Now, look-a here now at Leland,
river was risin’ high
Look-a here boys around Leland tell me,
river was raisin’ high
Boy, it’s risin’ over there, yeah
I’m gonna move to Greenville,
fore I leave, goodbye

Look-a here the water now, Lordy,
Levee1 broke, rose most everywhere
The water at Greenville and Leland,
Lord, it done rose everywhere
Boy, you can’t never stay here
I would go down to Rosedale,
but, they tell me there’s water there

Now, the water now, mama,
done took Charley’s town
Well, they tell me the water,
done took Charley’s town
Boy, I’m goin’ to Vicksburg
Well, I’m goin’ to Vicksburg,
for that high of mine

I am goin’ up that water,
where lands don’t never flow
Well, I’m goin’ over the hill where,
water, oh don’t ever flow
Boy, hit Sharkey County and everything was down in Stovall
But, that whole county was leavin’,
over that Tallahatchie shore
Boy, went to Tallahatchie and got it over there

Lord, the water done rushed all over,
down old Jackson road
Lord, the water done raised,
over the Jackson road
Boy, it starched my clothes
I’m goin’ back to the hilly country,
won’t be worried no more”





 
Hij leefde het leven van een bluesman. Hij dronk en rookte overmatig, zou 8 vrouwen hebben gehad, zat minstens één maal in de gevangenis. Ook reisde hij constant en bleef nooit lang op een vaste plaats hangen.

Hij was niet zo groot, iets meer dan 1 meter 60 en hij woog slechts een kilo of 60. Maar hij had een stem die zeker wel honderd meter ver droeg, zo wist Sleepy John Estes te zeggen.

Patton was, in tegenstelling tot vele andere blueszangers of songsters, een echte vedette.




 
Hij hoefde niet als een soort zwerver van stad naar stad te trekken. Charley werd meestal uitgenodigd om ergens te komen spelen. De emoties die hij losmaakte maakten vaak dat hij door de plantage-eigenaren weg werd gestuurd. Hij zorgde voor oproer, want zodra hij begon te spelen werd het werk in de steek gelaten en kwam men naar hem luisteren en kijken.

Patton’s gitaarspel was erg opvallend. Hij sloeg op zijn gitaar, trok aan de snaren en stampte met zijn voeten op de vloer om het ritme van zijn muziek te benadrukken. Ritme en opwindendheid waren de kenmerken van zijn muziek.

Patton’s aanzien in de geschiedenis van de blues is enorm. Geen enkele andere artiest – behalve misschien Blind Lemon Jefferson had meer invloed op de toekomst en vorm van de blues en volgers als Son House, Howlin’ Wolf, Robert Johnson, Muddy Waters tot en met John Lee Hooker en Elmore James zijn door hem beinvloed..

Naast een Bluesman was hij ook een absoluut entertainer. Hij stond absoluut niet passief te zingen en gitaar te spelen. Hij sprong op en neer, speelde de gitaar tussen zijn knieën of achter zijn rug, en gebruikte de rug van zijn gitaar als een drumstel. Hij was een echte showman.

Ook wordt er nog gediscussieerd over zijn ras. Hoewel hij bijna zeker van Afrikaans-Amerikaanse afkomst was, zoals de meeste bluesartiesten, zijn door zijn lichte kleur toch ook geruchten ontstaan dat hij misschien van Mexikaanse of Indiaanse (volgens Howlin’ Wolf zelfs volbloed Cherokee) afstamming was.

Hij maakte ongeveer 60 opnamen, stuk voor stuk monumenten voor de Bluesmuziek.

Hij was echt “the founder of the Delta Blues”

High Water Everywhere (parts 1&2)





I shall not be moved






dinsdag 10 september 2013

Blind Willie McTell (1901 – 1959)




Blind Willie McTell (1901 – 1959)

Een van de giganten uit de pre-war blues …..

Willie Samuel McTell was een van de beste bluesgitaristen en zangers ooit. Vanuit zijn woonplaats Atlanta (GA) reisde hij veelvuldig rond en hij maakte tientallen opnamen onder verschillende namen, waaronder Blind Willie, Blind Sammie, Hot Shot Willie en Georgia Bill. Dit gebeurde vooral omdat hij op deze manier voor verschillende platenmaatschappijen kon werken. En dat zijn vast niet zijn enige pseudoniemen geweest.

We weten eigenlijk niet eens hoe hij zichzelf noemde, maar ‘Blind Willie’ werd het meest gebruikt. Veel over hem werd pas bekend na zijn dood, door verhalen van kennissen en familie- leden. Zijn familienaam bleek bijvoorbeeld ook niet McTell te zijn, maar McTier of McTear. Op zijn grafsteen staat overigens Willie McTier. Wat wel duidelijk is is dat hij werd geboren in een muzikale familie – zowel zijn vader als moeder speelden gitaar, net als een oom van hem.

Blind Willie McTell (zoals we hem dan maar blijven noemen) werd op 5 mei 1901 geboren in Thomson (GA) en hij groeide op in Statesboro. Hij was waarschijnlijk al blind vanaf zijn geboorte, maar dat bleek voor hem later geen beletsel te zijn. Hij beweerde dat zijn gehoor buitengewoon goed was ontwikkeld door deze handicap. Hij leerde eerst harmonika en accordeon spelen, maar toen hij er groot genoeg voor was schakelde hij over op de gitaar.

In eerste instantie speelde hij een gewone zessnarige gitaar en, hoewel hij deze bleef gebruiken, schakelde hij halverwege de twintiger jaren over op de 12-snarige gitaar. Bij alle opnamen die hij maakte,  werd van de 12-snarige gitaar gebruik gemaakt.
Willie bezocht een aantal blindenscholen in Georgia, New York en Michigan, waar hij ook een officiele muzikale opleiding kreeg. Daarna trad hij op tijdens medicine shows, carnaval, barbeques en hij was daar een populaire muzikant.

Willie’s platencarriere begon in 1927 met twee sessie voor Victor Records. Hier nam hij 8 nummers op, waaronder ‘Statesboro Blues’. Uit deze eerste opnamen blijkt al dat hij de kunst verstond verhalen te verhalen, en dit gecombineerd met fenomenaal gitaar- werk.
Behalve dat hij verschillende namen gebruikte, werkte hij ook samen met verschillende partners, waaronder zijn toenmalige vrouw Ruthy Kate Williams en muzikanten als Buddy Moss en Curley Weaver.

Toch bracht zijn platencarriere niet het succes waar Willie op had gehoopt. Voor het grootste deel lag dat aan het feit dat zijn meeste platen werden uitgebracht tijdens het dieptepunt van de Amerikaanse depressie. Hij bleef populair in Atlanta, waar hij voor het grootste deel van zijn carriere bleven werken en wonen, maar hij reisde ook regelmatig alleen naar New York.

Willie was gelukkig bekend genoeg zodat de bekende field recorder John Lomax zich verplicht voelde om in 1940 opnamen van hem te maken voor het Library of Congress. Net als bij andere artiesten werden er vanwege de oorlog enkele jaren lang geen opnamen gemaakt van McTell, maar gelukkig was er na de tweede wereldoorlog een (kortstondige) blues- en folkrevival, welke hem opnieuw terugbracht in de studio.

Verbazingwekkend genoeg toonde het nieuwe label Atlantic, dat eigenlijk bekend was van in Jazz en R&B, interesse in McTell en zij namen 15 songs met hem op in 1949. De enige single werd slecht verkocht en het duurde zo’n twintig jaar voordat de rest werd uitgebracht. Een jaar later was hij weer terug in de studio, nu met zijn oude partner Curley Weaver. Geen van deze opnamen verkocht goed, maar Willie bleef optreden voor ieder die hem maar wilde horen.

Mede door gebrek aan succes begon Blind Willie McTell naar de fles te grijpen. Hij werd herontdekt in 1956, waar hij nog een aantal historisch belangrijke opnamen maakte. Deze opnamen gebeurden louter toevallig toen een bij de handse muziekhandelaar op een dag een oudere zwarte (blinde) man in zijn winkel kreeg die om een set snaren vroeg. Deze herkende Blind Willie, en in de keuken werden de laatste opnamen van Blind Willie McTell gemaakt.

Teleurgesteld in de muziekindustrie besloot hij kort daarna de muziek te verlaten en werd dominee bij een lokale kerk. Op 19 augustus 1959 stierf hij in Milledgeville (GA) aan de gevolgen van een herseninfarkt, volledig eenzaam en vergeten. Zijn overlijden gebeurde zo onopgemerkt dat in nog in de zeventiger jaren in diverse boeken en tijdschriften werd geschreven dat hij nog in de zestiger jaren in Atlanta geleefd zou hebben.




Blind Willie McTell - Statesboro Blues (1928)
Opgenomen in Atlanta, Georgia op 17 Oktober 1928.







Blind Willie McTell was een van de giganten van de blues, zowel als gitarist en als zanger. Verschillende nummers zijn door anderen vertolkt, waarbij de versies van ‘Stateboro Blues’ door Taj Mahal en de Allman Brothers Band wel de bekendste zijn.

Hij was een zeer ontwikkeld man en fenomenaal muzikant, die net zo makkelijk de blues, als ragtime, spirituals, hillbilly en popnummers vertolkte. Hij kon muziek lezen en schrijven in braille en was een briljant improvisator op gitaar.

En zoals Bob Dylan het al zegde : “Nobody sings the blues like Blind Willie McTell”.



zaterdag 15 juni 2013

Op de draaitafel : Mississippi Fred McDowell / Delta Blues (Arhoolie 1021) - 1964



Na een zware week werd het tijd om eens wat muziek op te zetten. Ik koos voor een van mijn talloze bluesplaten. 

Mississippi Fred McDowell ( 12 Januari 1904 – 1 Juli 1972)

Toen met de Folk revival ook de zoektocht naar oude Bluesmen losbrak in Amerika ging men op zoek naar wie iedereen voor de allergrootste nam, Robert Johnson.

Een probleem, de man was al ruim twintig jaren dood, maar dat wist men niet.

Op zoek naar Robert Johnson echter,  vonden Alan Lomax en zijn ploeg een fenomeen : Mississippi Fred McDowell

Hij werd geboren in Rossville, Tennesse in 1904 en was de zoon van katoenboeren. Heel zijn leven heeft hij in het Zuiden gewerkt op katoenplantages. Zijn vrije tijd vulde hij op met gitaar spelen en soms op te treden op picnics of Hoe Downs.

De Lomaxen vonden in hem het perfecte  overblijfsel uit de oude tijd van de country blues uit de Delta. De impact van deze “ontdekking” was enorm.

“Perfect“. Dat was het enige woord dat Folk muziek verzamelaar Alan Lomax opschreef toen hij in 1959 Mississippi Fred McDowell opgenomen had.

McDowell werd opgevoerd als de reïncarnatie van de oude bluesmannen als Charley Patton, enz.

Al gauw zou blijken dat deze autodidact meer was dan dat. Hij was de echte pionnier van de revival van de oude blues.

Het meeste van Fred McDowells werk is akoestisch.

Hoewel hij fier verklaarde “I do not play no Rock and Roll”  werd hem gevraagd een elektrische plaat te maken, wat zijn doorbraak betekende in zowel de US als Engeland.
Tot nog toe werd de Delta-Blues alleen akoestisch gespeeld, en was de elektrische gitaar voor de Chicago Blues.

Hij inspireerde velen met zijn speelwijze. De Rolling Stones namen bijvoorbeeld een perfecte kopie van Fred’s “You Gotta Move” op (album: Sticky Fingers). Fred kreeg een deel van de royalties, waarschijnlijk meer dan hij ooit had verdiend tevoren.

Wie het meeste van Fred leerde en van hem overnam was Bonnie Raitt. Hij beschouwde haar als zijn kleinkind en leerde haar alles. Ze speelde vaak in zijn voorprogramma en nam veel nummers van hem op.

Hij stierf aan kanker in 1972 en met hem verdween de laatste grote bluesman uit de Delta.

Dit was McDowells eerste plaat - op het legendarsche Arhoolie label. Ze maakte van hem een ster, en het is absoluut niet moeilijk om te horen waarom.

Na te zijn verschenen op een aantal van Lomax's compilaties die deel uitmaakten van de Southern Journey-serie, slaagde Chris Strachwitz erin Mississippi Fred van zijn tractor te krijgen en naar een studio te brengen. Het gevolg was deze adembenemende plaat, recht uit de muzikaal rijke vlaktes van Como, Mississippi.


Mama don't allow me



You gonna be sorry



That's All Right




  


woensdag 8 mei 2013

Robert Johnson (1911 – 1938)





Robert Leroy Johnson (Hazlehurst (Mississippi), 8 mei 1911 – Three Forks (Mississippi), 16 augustus 1938) is één van de invloedrijkste Amerikaanse bluesartiesten aller tijden. 


Hoewel hij slechts 27 werd, maar twee opnamesessies heeft gedaan en maar een twintigtal songs naliet, is hij hét voorbeeld voor veel blueszangers en -gitaristen.

Robert Leroy Johnson woonde het eerste deel van zijn leven op een plantage bij Hazelhusrt waar hij zichzelf leerde bluesharp spelen, maar het was zijn wens om de gitaar te leren beheersen. Binnen zeer korte tijd lukte het hem, met behulp van onder meer de al even mysterieuze Ike Zinneman, om het instrument meer dan voldoende te beheersen.

Deze prestatie bracht de fabel in de wereld dat Johnson zijn ziel had verkocht aan de duiver. Hij zou op een nacht naar een kruispunt zijn gegaan om daar gitaar te gaan spelen. Om middernacht zou hij benaderd zijn door een grote, donkere man (de duivel), die hem zijn instrument afpakte, het voor hem stemde, en het, in ruil voor zijn ziel, aan hem teruggaf,  waarna hij het perfect zou kunnen bespelen.

Hazelhurst ligt dicht bij Crystal Springs, Mississippi, waar de populaire Delta gitarist Tommy Johnson (geen familie) woonde en werkte. Robert Johnson trouwde hier en oefende ondertussen zijn picking. Hij leerde nieuwe liedjes van grammofoonplaten.

Het is hier dat hij in de ban raakte van de mysterieuze gitarist Ike Zinnerman, een man waarvan de lokale bevolking beweert dat Johnson hem perfect kon nabootsen.

Dan steekt Robert Johnson opnieuw de kop op in Robinsonville vele maanden later zonder zijn vrouw, maar met een verpletterende gitaartechniek en een groot aantal nieuwe nummers. Die klinken verdacht veel als Lonnie Johnson (geen familie), Skip James, Peetie Wheatstraw, Scrapper Blackwell, en Kokomo Arnold.

Hier komt de fabel boven van de ontmoeting met de duivel op de “crossroads”. Hoewel Johnson’s nummers werden afgeleid van andere musici, hebben zij een zeer persoonlijke benadering van bekende thema’s als verlies, isolement en paranoia.

Johnson speelde overal, van de Kitty Cat Club in Helena, Arkansas tot de straten van Friars Point aan de voorkant van Drugstore Hirsberg’s. Zijn reislust nam hem mee naar steenkoolmijnen, speakeasies, dijk kampen, en tavernes in de Midwest, aan de oostkust, en zelfs in Canada. Maar het waren die weinige opnamen van hem die de grootste impact zouden hebben.

Robert Johnson nam tweemaal op, eerst in San Antonio, Texas, in november 1936 en opnieuw in Dallas, Texas, in juni 1937. De negenentwintig liedjes die hij opgenomen heeft tijdens deze twee sessies zijn de hoekstenen van de delta blues.

Na een van zijn optredens kreeg hij vergiftigde whiskey – waarschijnlijk een actie van een jaloerse echtgenoot van een van zijn scharrels. Hij werd overgebracht naar Greenwood, waar hij het gif binnen enkele dagen door ziekte wist uit te zweten. Hij liep hierbij echter wel een longontsteking op die hem uiteindelijk fataal werd.

Er bestaan slechts drie foto’s van de man. Over de autheticiteit van de tweede en de derde (onderaan met sigaret en portret) wordt nog getwijfeld.


Terraplane Blues



Love in Vain



Crossroads Blues




woensdag 13 maart 2013

Rhythm and Blues with Howlin' Wolf (London EP 1957)



Howlin' Wolf (White Station (in de buurt van West Point, Mississippi), 20 juni 1910 – Chicago (Illinois), 10 januari 1976), echte naam: Chester Arthur Burnett, was een Amerikaans blueszanger en -gitarist die veel invloed heeft gehad op de bluesmuziek.

Burnett werkte al jong op een katoenplantage en leerde zo de rauwe zelfkant van de maatschappij kennen. Nadat zijn moeder hem als 11-jarige jongen het huis uit gooide, zocht hij onderdak bij zijn oom die hem vervolgens mishandelde. Na twee jaar ontvluchtte hij het huis van zijn oom en liep 120 kilometer naar zijn vader die hem liefdevol opnam in zijn gezin. Zijn vader gaf hem op 18-jarige leeftijd zijn eerste gitaar. Blues-pionier Charley Patton leerde hem spelen.

Na de Tweede Wereldoorlog kreeg Burnett zijn eigen radioshow bij een lokaal station. Daar werd zijn rauwe en doorleefde stemgeluid ontdekt. De platenmaatschappijen boden tegen elkaar op om hem onder contract te krijgen. Hij kwam onder contract bij Chess Records en verhuisde naar Chicago. De jonge gitarist Hubert Sumlin, die hem was gevolgd, werd zijn vaste begeleider tot aan zijn dood in 1976.

Samen met Muddy Waters was hij de meest toonaangevende bluesmuzikant van de jaren '50. Met zijn imposante postuur, 1,98 m en 130 kilo zwaar ("Three hundred pounds of heavenly joy") was zijn voorkomen op het podium indrukwekkend. Het was echter zijn raspende stem die het deed.

Howlin' Wolf was een groot voorbeeld voor de Engelse muziekgeneratie van de jaren '60. Voor The Beatles, The Rolling Stones, Eric Clapton, Jimmy Page was hij een idool. In 1971 nam hij de plaat London Sessions op met onder andere Eric Clapton, Steve Winwood, Bill Wyman en Ringo Starr. Hoewel verguisd door de critici en kenners, werd het de best verkochte bluesplaat ter wereld. Het bracht hele nieuwe generaties voor het eerst in aanraking met de blues.

Enkele van zijn bekendste nummers zijn Moanin' at Midnight, Smokestack Lightnin, Wang-Dang-Doodle, How Many More Years en Killing Floor.

Deze Ep vond ik op mijn zolder (een echte schatkamer)







dinsdag 12 maart 2013

Little Walter and his Jukes (London EP 1956)



12 Maart 2013. Het zou moeten bijna lente zijn, maar hier is alles ondergesneeuwd. Wat doe je dan ?
Even een bezoekje aan de zolderkamer en hop.....

Marion Walter Jacobs (Marksville, 1 mei 1930 - Chicago, 15 februari 1968), beter bekend als Little Walter, was een Afro-Amerikaans blueszanger, mondharmonicaspeler en gitarist. Hij wordt gezien als een van de pioniers van de blues en de mondharmonica.

Jacobs werd geboren in Marksville, Louisiana en groeide op in Alexandria, Louisiana. Nadat hij op 12-jarige leeftijd school verliet, zwierf hij rond door de Verenigde Staten als straatmuzikant en vervulde kleine baantjes.

Hij speelde met onder andere met Sonny Boy Williamson II, Sunnyland Slim en Honeyboy Edwards. Gearriveerd in Chicago, 1945, vond Jacobs werk als gitarist, hoewel hij ook de nodige aandacht kreeg vanwege zijn talent voor de mondharmonica. Volgens bluesartiest Floyd Jones was Jacobs' eerste opname hetzelfde jaar. Het was een niet uitgegeven demo-opname, waar Jacobs op gitaar Jones begeleidde. Jacobs raakte gefrustreerd vanwege het feit dat de gitaar tijdens nummers te sterk naar voren kwamen en het mondharmonicageluid onderdrukte. Hij gebruikte daarom een microfoon die hij aansloot op een gitaarversterker.

Jacobs onderscheidde zichzelf van zijn toentertijd medemondharmonicaspelers als Sonny Boy Williamson I en Snooky Pryor door zijn eigen timbre, gevormd door onder andere dus gitaarversterkers te gebruiken en distortion toe te passen.

Jacobs eerste uitgegeven opname was in 1947, onder het label Ora-Nelle. In 1948 voegde Jacobs zich bij Muddy Waters' band en vanaf 1950 speelde Jacobs mee op opnames, voor Chess Records. Als gitarist heeft Jacobs ook opnames gemaakt onder het label Parkway, met Muddy Waters en Baby Face Leroy Foster. Ook ondersteunde hij pianist Eddie Ware muzikaal met zijn gitaar tijdens opnamesessies.

Jacobs' eigen populariteit steeg aanzienlijk toen hij zijn eigen geschreven nummer uitbracht: Juke, onder Checker Records, 1952. Het werd een grote instrumentale hit. Het stond maar liefst acht weken op #1 in de Billboard magazine R&B charts.

Jacobs was een alcoholist en stond bekend om zijn slechte humeur, wat nu en dan tot ruzies leidde. Een paar maanden na zijn tweede tour door Europa raakte hij verzeild in een gevecht nadat hij een korte pauze nam van een optreden in Chicago. Jacobs raakte gewond en stierf die nacht in zijn slaap in het appartement van zijn vriendin. De officiële overlijdensakte luidde dat de oorzaak van zijn dood een trombose was. Marion Walter Jacobs werd op 22 februari 1968 begraven op de begraafplaats St. Mary's Cemetery, in Evergreen Park.

Deze EP bevat misschien zijn grootste hit "My Babe"







zaterdag 14 juli 2012

Woody Guthrie - Talking Dust Bowl (1950)




Honderd jaar geleden vandaag werd Woody Guthrie geboren.

Zonder Woody geen Dylan, zonder Dylan... niets eigenlijk.....

Woodrow Wilson (Woody) Guthrie (Okemah, Oklahoma, 14 juli 1912 - New York, 3 oktober 1967) was een productief en invloedrijk Amerikaans folkzanger, gitarist, banjo- en harmonicaspeler, die een schat aan onder meer liederen, folkgedichten en artikelen naliet.

In een van zijn liederen noemde hij zichzelf "The Great Historical Bum", maar hij was ook daadwerkelijk een directe toeschouwer én overlevende van de economische en ecologische rampspoed die de zogenoemde Dust Bowl in de staten van de Great Plains veroorzaakte tijdens de Grote Depressie.

In de periode van de Grote Depressie en de Dust Bowl kon Guthrie zijn gezin niet meer onderhouden en vertrok hij naar Californië. Daar werden vreemdelingen slechts onder bepaalde voorwaarden geaccepteerd. Mede als gevolg van wat hij meemaakte en om zich heen zag aan armoede op zijn reis naar en door Californië, nam Woody politieke en sociale standpunten in ten gunste van de werkende klasse. Die verwerkte hij in protestliederen. Dit is zeer duidelijk te horen in zijn “Dust Storm ballads" (bv. "Hard Travellin’", "Talking dust bowl blues" en "I ain’t got no home"). Over deze periode schreef John Steinbeck zijn boek 'The Grapes of Wrath'.

Tijdens de jaren 40 nam Woody zeer veel liederen op bij Lomax en bij Moses Ash. De opnames uit die periode zijn van grote waarde voor jonge folkmuziekzangers en folkmuziekschrijvers van overal omdat ze een grote bron van inspiratie zijn. Woody bleef maar doorgaan met liedjes schrijven en op te treden met de Almanac Singers (met o.a. Pete Seeger). Dit was een radicaal links-politieke zanggroep van de vroege jaren 40 waarvan sommige leden later de The Weavers vormden (de meest commercieel succesvolle en invloedrijke folkmuziekgroep rond 1950). In 1941 kwam hij met zijn gezin terecht in het noordwesten van de Verenigde Staten. Daar werd gewerkt aan het indammen van de rivier Columbia, met de bedoeling om elektriciteit op te wekken. Hier schreef hij zijn "Columbia river cyclus", met o.m. "Roll on Columbia".

Van al wat Guthrie heeft gedaan is toch de opbouw en structuur van al zijn liederen zijn meest erkende bijdrage aan de Amerikaanse cultuur; de eerlijkheid, humor en zijn persoonlijke kijk op de sociale, politieke, en rechterlijke aspecten. Zijn bekendste lied is "This land is your land", dat hij schreef in februari 1940.

Dit is een 25 cm LP van Folkways uit 1950

Happy Birthday Woody.








woensdag 11 juli 2012

Kokomo Arnold - Milk Cow Blues (1934)




Kokomo Arnold - Milk Cow Blues (1934)

Opgenomen op 10 september 1934 voor DECCA Records in Chicago.

Elvis Presley had al een versie van de song opgenomen voor SUN, onder de titel "Milk Cow Blues Boogie" in 1954.

Ook Bob Dylan kende de song. Zo goed zelfs dat de eerste strofe van zijn song "Quit your lowdown Ways" uit 1963 letterlijk is overgenomen uit Kokomo Arnolds blues.

"Quit your lowdown ways" was een "Freewheelin" outtake en kwam pas uit op "The Bootleg Series, Vol 1-3 : Rare and Unreleased" van 1991.

"Oh, you can read out your Bible
You can fall down on your knees, pretty mama
And pray to the Lord
But it ain’t gonna do no good

You’re gonna need
You’re gonna need my help someday
Well, if you can’t quit your sinnin’
Please quit your low down ways"

Luister maar.

Kokomo Arnold - Milk Cow Blues



dinsdag 3 april 2012

Skip James – I’m so glad ( 1931)




Skip James – I’m so glad ( 1931)


Opgenomen tijdens zelfde sessie als zijn 20-20 Blues en Devil Got My Woman. Ook hij verdween nadien van het bluestoneel om pas in de ’60s herontdekt te worden (door John Fahey en Henry Vestine van Canned Heat).

Skip James was geen vrolijke, onstuimige bluesman. Hij ging een aantal van dezelfde donkere plekken binnen die Robert Johnson enkele jaren later ook zou opzoeken. Hij sleept zijn  toehoorders mee en laat hen weinig fraais zien, de donkere kant van het bestaan.

Het was niet zo dat James de blues zong om er beter van te worden maar wel om er voor te zorgen dat zijn publiek zich net zo ellendig voelde als hijzelf. “Devil Got My Woman” bijvoorbeeld is een diep enge song die je nekharen doen rechtstaan.

James’s handelsmerk kwam van zijn E-mineur tuning, die hij “cross-noot tuning” noemde. Zijn  ongewoon geluid, falset zangstem, en vaardigheid met de gitaar overtuigden Paramount Records talent scout HC Speir ervan om Skip James een auditie te bezorgen bij Paramount op 111 Farish Street in Jackson. In februari 1931 nam hij 18 song op in de studio van Paramount’s Grafton, Wisconsin. Tijdens deze sessie nam James nummers op als “I’m so glad”, “Devil Got My Woman”, “Special Rider Blues” en “20-20 Blues”.

Cream had een monsterhit met “I’m so glad”.
Skip James’ begrafenis in ’69 werd bekostigd met de royalty’s van de Cream-cover.

Covers : Cream (1966) , Litter (1967) , SRC (1968) , Dave MacKenzie (1999) [in medley met Steel Guitar Rag], Beck (2002) [in film Soul Of A Man]

Maar kijk wat ik vond bij Ida Cox :

Dit is haar opname van “I’m so Glad”. Deze staat zeer dicht bij Skip James versie, alleen is ze twee jaar ouder (10-1929) op Paramount (12965)


Oordeel dus zelf maar

Skip James – I’m so glad (1931)



Ida Cox – I’m so glad 1929)



woensdag 7 maart 2012

Blind Joe Reynolds (1900 of 1904 – 10 Maart 1968)



Blind Joe Reynolds (1900 of 1904 – 10 Maart 1968)


Blind Joe Reynolds nam slechts twee singles op, en één single onder de naam als Blind Willie Reynolds in 1930.

Er is niet veel over hem geweten maar hij was uitzonderlijk opvliegend.

Gedurende zijn carrière reisde  “Blind Joe”  het land af en trad op onder verschillende aliassen. Hij had dan ook een zwaar strafblad. Hij liep altijd gewapend rond, zelfs nadat hij blind was geworden tijdens een vuurgevecht in de mid-’20s.

In feite heette hij Joe Sheppard maar hij hanteerde zijn artiestennaam om uit handen van de wet te blijven. Hij overleed in ’68.

In 1929 werd “Blind Joe” uiteindelijk ontdekt door muzikaal talent scout HC Speir.

In november 1929 nam Speir Reynolds mee naar een kleine studio in Grafton, Wisconsin, waar hij opnames van de songs “Cold Woman Blues”, “Nehi Blues”, “Ninety Nine Blues” en “Outside Woman Blues” maakte. Deze werden opgenomen onder de naam “Blind Joe Reynolds” en uitgebracht als twee 78-toerenplaten door Paramount Records.

In november 1930 ging Reynolds opnieuw de studio in, deze keer in Memphis, Tennessee. Daar nam hij de songs “Goose Hill Woman Blues”, “Married Man Blues”, “Short Dress Blues” en “Third Street Woman Blues” op onder de naam ‘Blind Willie Reynolds “, deze keer voor Victor Records.
Er werden echter slechts twee van deze nummers uitgebracht, op een enkele 78-toeren plaat. Van de opnames van “Goose Hill Woman Blues” en “Short Dress Blues” wordt gedacht dat ze voor altijd verloren zijn gegaan.

“Outside Woman Blues ” zou later bekend worden omdat het werd opgenomen door Cream voor hun album “Disraeli Gears”.  De groep gaf de credits voor de song aan “Arthur Reynolds”.

Dit is zijn “Outside Woman Blues”