Posts tonen met het label Psychedelica. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Psychedelica. Alle posts tonen

donderdag 3 oktober 2013

Porcupine Tree - Waiting (Delerium EP) 1996.



Porcupine Tree is eigenlijk als grap ontstaan. Steven Wilson en Malcolm Stocks kwamen in 1987 op het idee een 'vergeten rockband' a la Spinal Tap te creëren. Ze maakten een gedetailleerde nepbiografie en maakten 'verloren tapes', zogenaamde zoekgeraakte nummers. De grap werd echter een serieuze zaak.

Wilson was net te jong om met de eerste golf van experimentele en psychedelische rock mee te doen. Porcupine Tree was zijn manier om toch experimentele rock te maken. De muziek van Porcupine Tree is een intrigerende combinatie van psychedelica, rock en metal.

In 1989 werd een aantal stukken via de cassette Tarquin's Seaweed Farm verspreid onder personen die wellicht geïnteresseerd zouden kunnen zijn.

Eén van de cassettes kwam in handen van het Britse undergroundmagazine Freakbeat. Richard Allen en Ivor Trueman, uitgevers van dit blad, waren bezig een platenmaatschappij op te zetten, en alhoewel ze Porcupine Tree een niet al te beste recensie gaven in hun blad, zochten ze wel contact om Porcupine Tree een nummer op een compilatiealbum te laten plaatsen. Dit album heette Psychedelic Psauna (DELCD005) en bevatte het nummer Linton Samuel Dawson zoals het ook op On The Sunday of Life... verscheen.

Met het tweede volwaardige studio-album "The Sky Moves Sideways" brak Porcupine Tree door bij liefhebbers van progressieve rock, vooral omdat het album regelmatig sterk refereert aan het werk van Pink Floyd.

Met "Stupid Dream" vestigde de band zich voorgoed in de canon van progressieve rock, hoewel frontman Steven Wilson zich niet kan vereenzelvigen met het feit dat zijn band als prog-rock geclassificeerd wordt.

Deze (vinyl) EP kocht ik wanneer ze uitkwam in 1996.

Het is een van mijn kostbare bezittingen, die ik koester.


Porcupine Tree - Waiting (Delerium EP) 1996.




woensdag 2 oktober 2013

Op de draaitafel vandaag : Elmer Gantry's Velvet Opera (1968)



Op de draaitafel vandaag : Elmer Gantry's Velvet Opera (1968)

Dit is echt een van de platen uit mijn platenkast die ik het meest koester.

De band begon als een soul en blues band genaamd The Five Proud Walkers, die ooit in het voorprogramma hebben gestaan van de toen psychedelische Pink Floyd. De soul en blues lieten ze voor wat het was.




De band bestond toen uit

Dave Terry – zang; mondharmonica
Colin Foster - gitaar
John Ford – basgitaar
Jimmy Horrocks – toetsen en fluit
Richard Hudson – slagwerk.

Terry begon zich steeds extravaganter te gedragen tijdens optredens; hij mat zich de kleding aan van de hoofdpersoon uit het boek/film "Elmer Gantry" (van Sinclair Lewis), met cape en priesterhoed. De naam van de band werd toen veranderd in Elmer Gentry’s Velvet Opera.

Ze vielen al gauw op in het clubcircuit en kregen een platendeal aangeboden door CBS.

Hun eerste opname was "Flames" dat later nog gespeeld zou worden door Led Zeppelin.



 
Een latere single 'Mary Jane' werd nog door de BBC geboycot vanwege het feit dat het over drugs ging. Er kwamen meer singles en een elpee, maar succesvol was de band nooit.




Ford en Hudson wilden de band een andere richting (gebruik elektrische instrumenten) geven, waarmee Foster en Terry (meer akoestisch) zich niet konden verenigen; ze verlieten de band. Ze werden vervangen door Paul Brett en John Joyce; de naam werd weer Velvet Opera. Brett vertrok weer en Foster kwam terug. Een tweede album volgde, ook zonder succes.

Dave Cousins van the Strawbs baatte toen het Hounslow Arts Lab uit, waar Velvet Opera kwam optreden. Gelijkertijd waren Cousins en Strawbs op zoek naar een ritmesectie. Ford en Hudson stapten inderdaad over en bleven een aantal jaren bij Strawbs vanaf het livemuziekalbum "Just a Collection of Antiques and Curios".

Foster probeerde Velvet Opera voort te zetten met Dave McTavish (zang), Colin Bass (basgitaar) en Mike Fincher (slagwerk); ze namen één single op. Toen was het verhaal uit.



 
Toch is die eerste plaat voor mij een van de hoogtepunten van het einde van de jaren zestig.

Ik leerde de groe kennen van de CBS sampler "Rock Machine turns you on"

Ik heb ze vier maal gekocht - twee maal op vinyl en twee maal als cd (een keer met en een keer zonder bonus-tacks), gewoon om ze nooit te verliezen.

Hoogtepunten zijn er niet. Het zijn allemaal prachtige tracks. Dus random maar een paar "favoriete" tracks.

Mary Jane



Air



Reactions of a Young Man




dinsdag 1 oktober 2013

Op de draaitafel vandaag : The Steve Miller Band - Sailor (1968)



Zaterdag wordt Steve Miller 70.

Tijd om weer eens terug te grijpen naar die platen van hem die voor mij tot het allerbeste behoren.

We kennen hem en zijn Band vooral van megahits als The Joker, Fly Like An Eagle en Abracadabra, maar ver voor die succesperiode bracht Steve Miller al een reeks spectaculaire platen uit.

De beste van allemaal is wellicht Sailor (1968), de tweede en laatste lp met Boz Scaggs in de line-up.

Voor het eerste album Children Of The Future in 1968 uitkomt, heeft Miller al flink heel wat weg afgelegd met zijn band. Zo is hij met drummer Tim Davis, bassist Lonnie Turner en toetsenist Jim Peterman te horen op Chuck Berry’s live-lp Live At The Fillmore Auditorium (1967).





Aangevuld door gitarist/zanger Boz Scaggs – een jeugdmaatje van Miller – staat deze line-up als The Steve Miller Blues Band in juni ’67 op het beroemde Monterey Pop Festival, waar uiteraard ook grootheden als The Jimi Hendrix Experience, The Who en Janis Joplin optreden.

Children Of The Future, de eerste Steve Miller Band elpee, is geen groot commercieel succes, ondanks verbluffende songs als In My First Mind en Scaggs’ Baby’s Callin’ Me Home. 




 

Het tweede album, Sailor, verschijnt in oktober van hetzelfde jaar. In artistiek en zeker in commercieel opzicht overtreft de lp de voorganger ruimschoots.

Sailor opent met de zweverige, psychedelische instrumental Song For Our Ancestors.

Dit bijna zes minuten durende stuk, waarin de verschillende bandleden op bepaalde momenten de voorgrond betreden, bouwt op naar het lichte Dear Mary, geschreven en gezongen door Miller. Dit breekbare liefdeslied wordt gedragen door zijn herkenbare stemgeluid en is direct een van de mooiste tracks op de plaat.

Living In The USA – met de memorabele regel “Somebody give me a cheeseburger” aan het einde – is een van Millers grootste klassiekers en wordt de hitgevoelige rocker nog steeds door de Steve Miller Band gespeeld.

De tweede plaatkant is net zo onvoorspelbaar als de eerste en begint met het typische lome geluid van Steve Miller in Quicksilver Girl.

Leuk is ook de aanwezigheid van de korte Johnny ‘Guitar’ Watson-cover Gangster Of Love, waarnaar Miller uiteraard verwijst in de nummer 1-hit waar hij in 1973 wereldwijd mee zal doorbreken: The Joker.

De Jimmy Reed-cover You’re So Fine volgt met dominerend harmonicaspel van Miller.
Boz Scaggs zal Sailor afsluiten met de tracks Overdrive en Dime-A-Dance-Romance.

Scaggs heeft een groot aandeel in het kwalitatieve succes van de plaat, maar Sailor is helaas de laatste met hem als lid van The Steve Miller Band.

Sailor komt in 1968 niet verder dan de 24e positie in de Amerikaanse albumlijst en ook de prima opvolger Brave New World (1969, met Paul McCartney als gastartiest) valt net buiten de top 20.

Sailor laat een nog zoekende band horen, maar de band heeft nooit meer zo avontuurlijk geklonken als op dit vroege carrièrehoogtepunt.


Song for our Ancestors



Dear Mary



Quicksilver Girl



  


zaterdag 28 september 2013

Op de draaitafel vandaag : Moby Grape (1967).



Na een moeilijke week .... even wat uitblazen.

Ik kreeg deze week toevallig Knack Focus te zien en zag dat de plaatselijke commentator van dienst het u ook over “vergeten helden” heeft, en meer nog, deze keer ging het over Moby Grape’s album “1969” uit ....1969.

Tijd voor mij om eens in mijn eigen platenkast te duiken en hun eerste elpee op de draaitafel te leggen.

De elpee opent met 'Hey Grandma' en het lijkt of oma onderweg overreden wordt door de trein die via de pick up de kamer binnendent : wat een gitaargeweld ! The Byrds met kettingzagen ! Een andere absoluut knetterende song is  'Omaha', of de vreemd van tempo wisselende 'Sitting by the window'.

Het is zo en van die platen waaraan je voelt dat alles klopt en dat het eigenlijk niet meer beter kan. En dat was ook zo.

Moby Grape was een idee van Peter Lewis en Bob Mosley. Met Skip Spence vormen zij een band die de ballrooms uit San Francisco afschuimt.

Zeer snel krijgen zij een schare trouwe volgelingen en volgt hun eerste plaat. Het is een meesterwerk. Ze staat bol van hoogtepunten qua arrangementen, uitvoering, en prachtige composities. 






Stom genoeg wordt de plaat in eerste instantie niet als dusdanig uitgebracht. De producer heeft er zes singles van gemaakt en die worden met korte tussenpozen uitgebracht, net op het moment dat de markt overslaat naar de elpees en de zgn. “album oriented rock”.

Moby Grape mist de boot en zo kunnen andere groepen uit San Francisco (The Byrds, Buffalo Springfield, enz..) de macht grijpen.

Hun tweede album “Wow” uit 1968, is zeer goed maar mist het extra van die eerste plaat. Om het niveau toch wat acceptabel te maken werd vanaf een volgende druk de plaat aangevuld met een tweede plaat “Grape Jam”, een aantal jamsessions.
Het derde album “1969” zet die trend verder.

Ondertussen zijn er ook problemen met de bandleden. Tijdens de opnamen van het tweede album werd Skip Spence opgenomen in een psychiatrische kliniek. Spence verbleef tot zijn dood in 1998 in een kliniek.

Moby Grape zal weldra verdwijnen.

Pas vele jaren later kwam ik er achter dat er ook nog een rel rond de hoes van de eerste elpee was geweest, omdat een van de leden de middelvinger liet zien. De hoezen met die foto werden inderhaast vernietigd, maar een paar duizend exemplaren waren al de deur uit, waar verzamelaars flinke prijzen voor betaalden. 


De elpee Moby Grape was voor mij HET hoogtepunt van de Westcoast-muziek. 

Hey Grandma



Omaha



Sitting by the window






donderdag 12 september 2013

Op de draaitafel : Roy Harper - Flat Baroque and Berserk (Harvest 1970)



Geen dag aan zee gisteren, het regende .

Dan maar lekker een plaatje draaien. Mijn keuze viel op deze klassieker (nu ja !?) uit 1970, in elk geval voor mij een klassieker.

“Flat Baroque and Berserk” is het vierde album van de Engelse singer songwriter Roy Harper. Het werd uitgebracht ôp het legendarische Harvest label in 1970.

“Flat Baroque and Berserk” werd geproduced door Peter Jenner en opgenomen in de Abbey Road Studios in Londen. Het was eveneens  het eerste van de acht albums opgenomen door Roy Harper voor Harvest label EMI.

Harper zei over dit album :  “for the first time in my recording career, proper care and attention was paid to the presentation of the song."

Het album bevat enkele van de bekendste nummers van Roy Harper. "I hate the White Man”  in het bijzonder staat bekend als een compromisloze tekst.

Harper zelf beschreef het lied als : “a testament to my lifelong devotion to espousing equal rights for all humans. I have long since wondered about the wisdom of stating that you have more than the capacity to hate your own race for it's misdemeanors, but as a polemic it has been both an effective tool and somewhere of a place to stand”

Dit is ongetwijfeld een van de hoogtepunten uit deze elpee – en het hele oeuvre van Roy Harper.

Andere favoriete track is “Tom Tiddler’s Ground”

Harper groeide uit tot een cult figuur . Hij zong de lead in “Have a Cigar” op het album “Wish You Were Here” van Pink Floyd. Hij is ook bekend van het lied “Hats Off to (Roy) Harper” op het album “Led Zeppelin III”. Harper maakte ruim twintig albums, waarvan acht voor Harvest, het progressieve EMI-label. In die zin was hij een collega van onder anderen Deep Purple en Pink Floyd. Toen hij “Have a Cigar” voor het album “Wish You Were Here” zong, was hij zelf druk bezig met zijn album “H.Q.”

I hate the white man



Tom Tiddler’s Ground




woensdag 7 augustus 2013

Op de draaitafel : The Ultimate Spinach (1968)



In mijn doos met US psychedelica vond ik deze elpee uit 1968 van the Ultimate Spinach.

Ultimate Spinach is een psychedelische / hard rock / blues band oorspronkelijk uit Boston. 






 


In hun hoogtijdagen in de jaren '60 specialiseerde de groep zich in lange nummers zoals "Ballad of the Hip Death Goddess", uit Ultimate Spinach (1968) en "Genesis of Beauty", uit Behold And See (1968).

De lange psychedelische improvisaties werden sinds 1970 grotendeels verlaten, samen met het succes.

Succes, ja dat moet ook met een korrel zout worden genomen want buiten lokale bekendheid geraakte de groep niet veel verder.

Toch een fijne plaat om zo ’s avonds eens op te leggen en even weg te zijn van dit alles.

Favoriete tracks :


Ballad of the Hip Death Goddess



Sacrifice of the moon




 




dinsdag 6 augustus 2013

Op de draaitafel : The Beacon Street Union / The eyes of the Beacon Street Union (1968)



De Beacon Street Union was een Us rock band uit de zgn psychedelische rockera.

Ze hadden hun naam van een straat in hun eigen Boston, waarvan de oorspronkelijke leden John Lincoln Wright (zang, percussie, overleden op 4 december 2011), Paul Tartachny (gitaar, zang), Wayne Ulaky (bas , zang), Robert Rhodes (keyboards, bas) en Richard Weisberg (drums) kwamen. Ze gingen allemaal naar de Boston University.

Met uitzondering van een paar roots nummers maakten ze hun liedjes zelf.

MGM Records promootte  ze als onderdeel van het zogenaamde "Bosstown Sound", samen met de groepen Ultimate Spinach en Orpheus.

De groep had weinig succes, hoewel hun eerste album “The Eyes Of The Beacon Street Union” het schopte tot  # 75 in de LP Charts op 4 mei 1968.





Ik heb dit album ooit voor een habbekrats gevonden op een rommelmarkt in Gent. Ik was er gek van. Ik hield van deze speciale sound van de US psychedelica. Later ben ik dit soort muziek gaan verzamelen. Ik heb nu waarschijnlijk zo'n 700 van die obscure elpees van US Psychedelica.

Favoriete tracks zijn ongetwijfeld “Beautiful Delilah” en “The Prophet” .

Beautiful Delilah



The Prophet




vrijdag 19 juli 2013

July - Hello, Who's there ? / The Way (1968)




July was een Britse band in de jaren 1966 tot en met 1968.

De basis werd gelegd door Tom Newman en Peter Cook. Beiden kwamen uit The Tomcats. Die band ging aan gebrek aan populariteit ter ziele. Newman en Cook richtten samen een maatschappijtje op voor hun gezamenlijke schrijversactiviteiten, Neddysongs. Ze namen daarbij een aantal demos op. De band nog steeds The Tomcats kregen een platencontract, maar de zaken wilden niet vlotten. Er werd toch een opname gemaakt, maar de diverse leden waren er niet blij mee. Het moest allemaal te vlug en ze hadden het idee dat de muziekproducent hun muziek niet begreep.

Daarbij kwam dat de leden de platenhoes verschrikkelijk lelijk vonden. Alleen de naam van het album werd overgezet naar de naam van de band: July. Het album verscheen in juli, de kritieken waren goed, maar de verkopen slecht. De band kreeg geen enkele response. De band kwam stil te liggen en ieder zocht zijn eigen weg. Tom Newman sloot zich aan bij Richard Branson (later de baas van Virgin Records en Manor Studio). Duhig en Field richtten Jade Warrior op.




July is het enige album van de gelijknamige band. Het album werd opgenomen in de Wardour Street geluidsstudio (later omgedoopt tot Trident Studio. De start was ongelukkig (miscommunicatie met management etc.) en dat zou zo doorgaan. De muziekproducent was Tom Scott, maar die had geen hoge pet op van de band. Later zou de aanduiding produced by dan ook vervangen worden door watched by. De heren van de band waren alleen een huisstudio gewend en kwamen in een nog relatief eenvoudige professionele studio terecht. Die werd nog eens gemoderniseerd met apparatuur die de Abbey Road Studio afdankte. Zo kwam het dat het enige album van July werd opgenomen met dezelfde apparatuur als Sgt. Pepper's Lonely Hearts Club Band van The Beatles.

Er werd druk geëxperimenteerd door Newman en Mike Ross, de geluidstechnicus. Newman zou later zijn stempel drukken op bijvoorbeeld Tubular Bells van Mike Oldfield. Uiteindelijk bleek er te weinig studiotijd over om een echt volwaardig product af te kunnen leveren. Normaliter is de titel van een debuutalbum gelijk aan die van de band, maar hier is het andersom. De naam van de band was gedurende de opnamen nog The Tomcats en werd pas later aangepast aan de titel. Het album verscheen in juli 1968, maar bracht geen commercieel succes. De band viel uit elkaar.

De groep bracht ook een singeltje uit. Dit is het.


Hello, Who's there ?



The Way 




dinsdag 2 juli 2013

The Spectres - Traffic Jam




Status Quo, Ook wel bekend als The Quo of gewoon Quo, is een Engelse rock band wiens muziek gekarakteriseerd wordt door een sterke boogie en boogie-woogie stijl. De wortels van de groep lagen bij "The Spectres" opgericht door schoolgangers Francis Rossi en Alan Lancaster in 1962. Na diverse line-up veranderingen, werd de band eind 1967 "The Status Quo", hetgeen uiteindelijk "Status Quo" werd in 1970. Ze hadden uiteindelijk meer dan 60 bekende hits in het Verenigd Koninkrijk, meer dan welke andere rock band ook in de geschiedenis. 22 van hun singles bereikten de top tien in het Verenigd Koninkrijk.

De band begon in de Underground rock in de jaren 60 onder de naam The Spectres.

Rond 1967 ontdekten ze de psychedelische rock en veranderden ze hun naam in Traffic en niet veel later in Traffic Jam (om verwarring te voorkomen met de band Traffic van Steve Winwood). Aan het einde van dat jaar trokken ze Rick Parfitt aan en noemden ze zich Status Quo. Na een korte psychedelische periode met enkele hits zoals 'Pictures of Matchstick Men', 'Blackveils of Melancholy' en Ice in the Sun' veranderde Quo van stijl met het album Dog of two head. Geleidelijk werd met de albums Piledriver en Hello begin jaren zeventig een breed publiek bereikt. De band ontwikkelde een eigen kenmerkende stijl van weinig akkoorden, makkelijke teksten en een stevig ritme.

Ik heb ooit twee singeltjes van die zgn. Pre-Quo periode gevonden (beiden voor twee keren niets in een rommelbak)

Dit zijn ze:


The Spectres

1. "Hurdy Gurdy Man" (Lancaster/Barlow)
2. "Laticia" (Lancaster)


Traffic Jam

3. "Almost but not quite there"
4. "Wait just a minute"


Een weetje : "Almost but not quite there" werd verboden op de BBC wegens openlijke sexuele lyrics.








maandag 13 mei 2013

Op de draaitafel : The Web / Fully Interlocking (1968)



The Web was een Britse jazz / blues band, die qua stijl zo ergens tussen de Amerikaanse WestCoastsound en de Britse prog beweging in zat.

Afkomstig uit de Britse psychedelische scene, wordt hun stijl vaak omschreven als sfeervol, humeurig, melancholie, en donker.

Fully Interlocking is het debuutalbum van de groep. Het is tot stand gekomen nadat Web een concert heeft gegeven met Zoot Money, die zelf een album aan het opnemen was. Het album wordt op de achterkant van de hoes aangeprezen door onder anderen Mickie Most en Mike d'Abo (Manfred Mann), maar ook door Dave Dee.

Jazz getinte songs en bluesy melodieën. Dat is wat The Web brengt op deze LP uit 1968. De groep had op hetzelfde ogenblik bij ons (en ook in de UK) een soort middle-of-the-road hit met “Baby Won’t you leave me alone”.

Dit album echter, geproduced door Mike Vernon, wordt over het algemeen als hun beste beschouwd.

Ik vond het in Gent in een uitverkoop, kort nadat het verschenen was, in 1968.

Mijn absoluut favoriete track van de groep is "Harold Dubbleyew."


Harold Dubbleyew





maandag 22 april 2013

The Open Mind - "Magic Potion" / "Cast A Spell" (Philips BF 1805) (1969)




Gisteren op mijn zolder terug gevonden, deze single van The Open Mind.

De groep werd in het midden van de jaren 1960 opgericht door vier muzikanten uit Putney, Zuid-Londen. Aanvankelijk noemden ze zich The Apaches maar in 1965 werd dat The Drag Set. Onder die naam namen ze een  obscuur singletje op in Februari 1967, "Day and Night " / "Get Out of My Way".

Kort daarna veranderden ze hun naam in The Open Mind en in juli 1969 brachten ze een titelloze LP uit die sindsdien is uitgegroeid tot een zeer gezocht collector’s item.

In 1973 hield de groep ermee op.



 

Ondanks hun gebrek aan opgenomen materiaal, hebben The Open Mind bewezen zeer invloedrijk te zijn in het psychedelische rock genre.

Deze single is uit Augustus 1969 en gaar door voor een expliciet drug geraleeerde single. Hoeft het erbij gezegd dat de BBC deze single niet draaide ?
 

Magic Potion




Cast A Spell





vrijdag 12 april 2013

Op de draaitafel : Tyrannosaurus Rex - Prophets, seers & sages, the angels of the ages (1968)



Profeten, zieners en wijzen .......


In 1967 richt Mark Bolan samen met percussionist Steve Peregrin Took (de artiestennaam komt van een personage uit de In de ban van de ring-trilogie) in Londen een folkband op, genaamd Tyrannosaurus Rex.

De eerste paar jaren staat de band voornamelijk bekend als een hippiegroep met komische psychedelische teksten. Bij optredens zit Bolan op een kleedje met een akoestische gitaar; Took begeleidt hem op bongo's.

Bolans vroegere manager Simon Napier-Bell maakt wat opnamen met hen, maar ziet weinig perspectief in hun muziek. In 1968 begint de band een samenwerking met producer Tony Visconti, die hun muziek op de plaat zet.
 
Tyrannosaurus Rex brengt de eerste single uit, "Deborah", en de eerste twee albums, “My people were fair and had sky in their hair... But now they're content to wear stars on their brows” en “Prophets, seers & sages, the angels of the ages”.

De tweede single, "One Inch Rock", haalt de onderste regionen van de Britse top dertig. Een fan van het eerste uur is de diskjockey John Peel, die bijdragen levert aan het eerste en het derde album. Op allebei leest hij een verhaaltje voor.



Op het Festival te Bilzen op 23 augustus 1968

Een van de hoogtepunten uit deze periode is een optreden bij een openluchtconcert in Hyde Park in Londen op 29 juni 1968, samen met Pink Floyd, Roy Harper en Jethro Tull. Tyrannosaurus Rex treedt ook op in het Festival te Bilzen op 23 augustus 1968, waar ik op de eerste rij zit met open mond.

Met Took neemt Bolan nog één album op, “Unicorn”, maar na een rampzalige tournee door de Verenigde Staten gaan de twee uit elkaar. De single "King of the rumbling spires", ongeveer tegelijk met Unicorn geproduceerd, is de eerste single van de band die is opgenomen met een elektrische gitaar. Voor het vierde album, “A beard of stars”, wordt Took vervangen door Mickey Finn.
 
In 1969 brengt Bolan een poëzieboek uit, “The warlock of love”. Het boek wordt, dankzij een trouwe groep volgelingen die de band in drie jaar heeft opgebouwd, een bestseller.

In 1970 wordt de naam van de band ingekort tot T. Rex en ontwikkelt de band zich van de hippiefolk af richting door pop en rock-'n-roll beïnvloede rockmuziek. Een legende is geboren. De rest is history !


Deze plaat zet meteen de toon. Het eerste nummer is een bewerking (nu ja...) van de single “Deborah” hier vervormd en verknipt tot “DeboraarobeD”, dwz, van achteren naar voren. Hilarisch.

Mijn favoriete tracks zijn het wonderlijke “Salamanda Palaganda” (in the Parisian Zoo, zoo zoo zoo zoo!).

Verder “The Eastern Spell” een soort Donovan song op speed, en “The Travelling Tragition” (een samentrekking van the tradition en tragic) over de foorkramers.


Salamanda Palaganda



The Eastern Spell



The Travelling Tragition
 


 

donderdag 4 april 2013

Donovan - "Goo Goo Barabajagal (Love Is Hot)" / "Trudi" (1969)



Donovan - "Goo Goo Barabajagal (Love Is Hot)" / "Trudi" (1969)

In mei 1969 zorgde Mickey Most voor een permière. Donovan nam een single op met als backing groep de Jeff Beck Groep.

"Goo Goo Barabajagal (Love Is Hot)" (ook "Barabajagal (Love Is Hot)" en gewoon "Barabajagal") en "Trudi" (oorspronkelijk "Bed with Me") waren het resultaat van deze sessies.

Er waren andere nummers opgenomen door Donovan samen met de Jeff Beck Group, maar ze bleven onuitgegeven totdat zij werden uitgebracht als bonus tracks op de Britse heruitgave van het album uit 2005.

Rod Stewart was op dat moment de zanger van de groep maar op geen van de nummers is hij te horen. Tony Newman was de drummer.

"Goo Goo Barabajagal (Love Is Hot)" / "Trudi" werd uitgebracht als single in juni 1969 in het Verenigd Koninkrijk en in augustus 1969 in de Verenigde Staten.


Goo Goo Barabajagal (Love Is Hot)



Trudi




dinsdag 2 april 2013

Ian Carr's Nucleus



Gisteren heb ik weer een deel van de namiddag op zolder doorgebracht en ik stootte op mijn elpees van Nucleus. Wat een prachtige herontdekking was dat.

Ian Carr (Dumfries, 21 april 1933 - 25 februari 2009) is een Schots jazz-muzikant, componist, schrijver en leraar.

Toen Carr zeventien was, begon hij met het spelen van trompet. Na zijn studie ging hij in 1960 samen met zijn broer Mike in de band EmCee Five spelen. Na twee jaar verhuisde hij naar Londen waar hij in het Rendell-Carr kwintet speelde (1963-1969). Leden van het quintet waren: pianist Michael Garrick, bassist Dave Green, drummer Trevor Tomkins en saxofonist Don Rendell. De groep maakte in zes jaar vijf albums namens het platenlabel EMI Group.

Nadat hij het quintet had verlaten, vormde Carr de jazz-rock band Nucleus. De leden van de band waren: Karl Jenkins (keyboard/hobo), Brian Smith (saxofoon/fluit), Chris Spedding (gitaar), Jeff Clyne (bas) en John Marshall (drums). Nucleus bracht twaalf albums uit, waarvan Elastic Rock het bekendste is.




Een aantal van deze Nucleus albums werden uitgebracht op het legendarische Vertigo Label (met de beroemde Vertigo Swirl)

Carr was naast muzikant ook schrijver. Hij schreef een column voor het BBC Music Magazine, en heeft biografieën geschreven van de jazzmuzikanten Keith Jarrett en Miles Davis. Ook schreef hij boeken over de jazzmuziek.

Hier zijn een paar nummers van Nucleus

1. Uit Belladonna : Summer Rain
2. Uit Solar Plexus : Changing Times
3. Uit We'll talk about it later : Lullaby for a lonely child








maandag 1 april 2013

Timebox - Come On Up / A Woman that’s Waiting (1968)



Timebox - Come On Up (Caveliere)  / A Woman that’s Waiting (McCarthy / Zagni)
Geproduced door Michael Aldred

DERAM DR 41.826, uit april 1968, alleen in Frankrijk.

Timebox was een Engelse band uit de tweede helft van de sixties, bij ons vooral bekend door hun remake van de hit van de Four Seasons, “Beggin’”

Dit is de eerste single met  John Halsey op drums.
De A Kant is een cover van de Young Rascals tune. De gitaar solo is van Ollie Halsall - niet slecht voor iemand die pas een jaar gitaar speelt (!)

De B-kant is een van mijn favoriete Timebox opnames. Geschreven door  Ivan Zagni en Mike Patto (McCarthy). Ivan speelde in Jody Grind met Tim Hinkley, die in verschillende bands met Mike, waaronder de Bo Street Runners en de Chicago Line Blues Band.

Line-up voor deze single was Mike Patto, Peter "Ollie" Halsall, Clive Griffiths, Chris Holmes, en John Halsey.


Het bewijs dat ze naast “Beggin’” ook nog wat anders konden. Deze single ging trouwens “Beggin’” vooraf.

Een  juweeltje !!!

Come On Up



A Woman that’s Waiting




woensdag 13 maart 2013

Man - Erotica / Don't just stand there (1969)



MAN  is een rock band uit Zuid-Wales wiens stijl kan omschreven worden als een mix van West Coast psychedelica, progressieve rock, blues en pub rock.

Gevormd in 1968 als een reïncarnatie van Welshe groep The Bystanders. Ze waren bekend om de uitgebreide jams in hun live optredens.

De groep bestond uit :

Roger Leonard - gitaar, harp, piano, percussie, zang
Clive John – orgel, piano, gitaar, zang
Mike Jones – lead guitar, zang
Jeff Jones – drums, percussie
Ray "Taff" Williams – bass

Deze single is uit 1969.

Erotica



Don't just stand there