maandag 30 april 2012

Jennifer Juniper




In de herfst van 1967 poseerde Jenny Boyd met Donovan in Bodiam Castle in East Sussex. Het ging om een photoshoot voor zijn album “A Gift from a Flower to a Garden”.

Jenny Boyd was de jongere zus van Patti Boyd, de toenmalige vrouw van George Harrison.

Donovan werd gecharmeerd door Jenny en verliefd. Hij schreef “Jennifer Juniper” voor haar.

Later zei hij : “I had a crush on Jenny, so she got a song.”

Jennifer Juniper, hair of golden flax.
Jennifer Juniper longs for what she lacks.
Do you like her ? Yes, I do, Sir.
Would you love her ? Yes, I would, Sir


Jennifer Juniper




zondag 29 april 2012

Al Stewart in Ternat - het gat in zijn geheugen.

Al Stewart in Ternat


Onlangs las ik op een wonderlijke blog een stukje over Al Stewart.

Dat herinnerde mij aan die keer dat ik Al Stewart zag optreden in de Ploter te Ternat (een viertal jaren geleden denk ik).

Op een bepaald moment vroeg Al of er verzoekjes waren. Ik vroeg hem om “Life and Life Only” te spelen. Dat kwam uit zijn tweede elpee “Love Chronicles” uit 1969.

Tot mijn grote verbazing wist hij niet meer hoe dat ging. Ik heb hem toen nog een stukje voorgezongen. Een ietwat hilarisch moment. Moest hij gevraagd hebben om het even voor te spelen dan had ik dat waarschijnlijk ook gedaan.

Je ziet dus dat ook Al niet al zijn songs van buiten kent.

Hetzelfde overkwam “Major Lance” die eind jaren 70 in Halle (of al places) optrad, weliswaar met playback van de backing track.

Hem vroeg het publiek naar zijn “Crying in the Rain”. De man was stomverbaasd en dacht dat het om de Everly Brothers song ging (geschreven door Carole King). Toen het hem echter duidelijk werd dat dit NIET de vraag was, en de playback begon, huppelde hij wat verveeld rond en dat was het dan.


Al Stewart - Life and Life Only



Major Lance - Crying in the Rain




zaterdag 28 april 2012

Keith Jarrett Trio – My back pages (1968)




Jarrett werd geboren en groeide op in Allentown, Pennsylvania, op 8 mei 1945. Hij bezat een absoluut gehoor en begon op drie-jarige leeftijd piano te spelen en gaf zijn eerste recital met werken van Mozart, Bach, Beethoven en Saint-Saëns toen hij zeven jaar was. Gedurende zijn jeugd werd Jarrett onderwezen in klassieke muziek. Na zijn middelbare school verhuisde Jarrett naar Boston, Massachusetts, waar hij kortstondig de Berklee College of Music bezocht. In zijn tienerjaren kreeg hij de mogelijkheid compositie te studeren bij de vermaarde docente Nadia Boulanger, maar Jarrett verkoos om naar New York te verhuizen om daar jazzmuziek te spelen. Een optreden van Dave Brubeck was hierbij een vroege inspiratie.

In New York speelde hij veelal in de beroemde jazzclub Village Vanguard, waarna hij begon te toeren met Art Blakey’s The Jazz Messengers. Hij werd al snel opgemerkt door de drummer Jack DeJohnette (met wie hij later een trio zou beginnen) die hem aanraadde aan zijn bandleader: Charles Lloyd. Tussen 1966 en 1968 was Jarrett pianist in het kwartet van Lloyd, een van de populairste Jazzbands uit de jaren ’60. Met Lloyd nam hij in 1966 de beroemde plaat: Forest Flower op.

Het bekendst is Jarrett echter om zijn gigantische solo-oeuvre, waarin we zowel de jazz als de klassieke muziek rekenen.

Hier is Dylan’s “My back pages” uit “Somewhere before” (1968), met Charlie Haden op Bas en Paul Motion op drums, het klassieke Keith Jarrett Trio.





The Beau Brummels – One Too Many Mornings (1966)



The Beau Brummels kunnen worden beschouwd als het eerste Amerikaanse antwoord op de Britse invasie in ’64.

Met het 12-snarige gitaarwerk is de groep de voorloper van The Byrds. Tevens zijn The Brummels de eerste belangwekkende groep uit San Francisco, dat een paar jaar later tot één van de meest vooraanstaande popcentra in de wereld zal uitgroeien.



The Beau Brummels worden begin ’64 opgericht door zanger Sal Valentino. Oorspronkelijk bestaat de groep uit vijf man. In deze bezetting hebben The Beau Brummels twee grote hits in ’65: ‘Laugh Laugh’ en ‘Just A Little’. Hierna verlaat ritmegitarist Dec Mulligan de groep.

 

Op Introducing The Beau Brummels en Beau Brummels Vol. 2 is nog duidelijk de invloed van de Britse groepen te herkennen, op Beau Brummels ’66 krijgen ze een eigen geluid, terwijl Triangle het creatieve hoogtepunt van de groep betekent. Dan is de formatie inmiddels al teruggebracht tot drie man (Valentino, Elliott en Meagher) en op Bradley’S Barn is de groep zelfs geslonken tot twee leden, omdat in ’68 ook Meagher de groep verlaat.

Net voor ‘Triangle” maken ze een “non album single”, deze “One too many mornings”

Prachtig toch.




Hawkwind - The Silver Machine (1969)




De Britse acidrockband Hawkwind werd eind 1969 opgericht door Dave Brock (gitaar en zang), Nik Turner (zang en saxofoon) en Mick Slattery (gitaar). De groep werkte eerst onder de namen Group X en Hawkwind Zoo en onderging verschillende wijzigingen in de bezetting, voordat het eerste album werd opgenomen.

Hawkwind brak door na haar fameuze optreden buiten de hekken van het festival van Wight in 1970. De groep viel vooral op door haar lange geïmproviseerde solo's en de regelmatige inname van drugs door de bandleden.

De muziek bestaat uit een mengsel van harde rock gecombineerd met sciencefictionachtige klanken welke worden geproduceerd door een effectenmachine genaamd "audio generator". De teksten worden bepaald door zwaar drugsgebruik en comics. Hun liveshows worden opgeluisterd door naaktdanseres Stacia. 

 


Stacia Blake (op 26 december 1952 geboren in Ierland) was de exotische danseres van de groep. Ze beeldde Hawkwinds space rock uit door als een derwisj-op-paddestoelen over het toneel te kronkelen, aanvankelijk in kleurrijke fantasie outfits, later naakt of in body-painting. Stacia's aanwezigheid was een fenomenaal marketing instrument. Hordes bronstige jongeren dromden rond het podium als Stacia haar fenomenale boezem losschudde.

De optredens waren happenings, waar visuele elementen een grote rol opeisten.

Het meest bekend werd Hawkwind door het nummer "Silver machine", dat op single werd uitgebracht en redelijk goed verkocht.

De groep kende vele personeelswijzigingen en de enige constante factor in Hawkwind bleef Dave Brock. Rond 1973 bereikte de groep haar muzikale hoogtepunt met het album "Space ritual". De zanger, dichter en schrijver Robert Calvert drukte in deze periode zijn stempel op de groep.

In 1975 verliet bassist Ian "Lemmy" Willis Hawkwind. Later richtte Willis Motörhead op, genoemd naar een door hem geschreven nummer van Hawkwind.

Ik heb de groep in 1971 gezien in Brussel, in “het théatre 140” te Schaarbeek.....met Stacia  (!)


Silver Machine



vrijdag 27 april 2012

The Faces – The Wicked Messenger (1970)




The Faces is een Britse rockgroep uit de jaren zestig en zeventig. De groep werd gevormd in 1969, nadat Steve Marriott de band The Small Faces verliet om de eigen band Humble Pie op te richten. Nieuwe leden Rod Stewart (zang) en Ron Wood gingen verder met de oude leden van de band Ronnie Lane (bas), Ian McLagan (keyboards) en Kenney Jones, (drums). Hun elpees en liveoptredens waren bekend om de rauwe energie en wilde ritmes. Hiermee waren The Faces een belangrijke inspiratie voor latere Britse punkbands als The Damned en Sex Pistols.

Hun meest succesvolle nummers waren onder andere “Stay with Me”, “Had Me a Real Good Time”, “Cindy Incidentally” en “Richmond”. Rod Stewarts solocarrière overschaduwde al snel The Faces, en de band maakte nog een studioalbum, Ooh La La, om in 1975 te besluiten uit elkaar te gaan.

Na het uiteenvallen van de band, gingen de verschillende leden hun eigen weg. Ron Wood ging bij de Rolling Stones spelen; Ronnie Lane vormde de band Slim Chance; Kenney Jones ging na de dood van Keith Moon bij The Who spelen; en McLagan werd een sessiemuzikant. Rod Stewart bouwde een succesvolle solocarrière op.

Dit is Dylan’s “The Wicked Messenger” uit hun debuutalbum “First Step” (1970)

Al Stewart - Het prille begin




Al Stewart wordt in Glasgow geboren en begint op dertienjarige leeftijd met het spelen van gitaar. Op het Wycliff College, een kleine openbare school in Gloucestershire bestudeert hij Duane Eddy en Lonnie Donegan een stuk beter dan zijn huiswerk. “Uiteindelijk kwamen de school en ik tot een bevredigende overeenstemming: ik zou weggaan, voornamelijk omdat ik er niets meer aan deed en omdat ik concerten gaf. Ik was 16 en had toen 4 à 5 maanden een baantje, wat ‘n ellende was. Eigenlijk heb ik daarna nooit echt gewerkt.”

Hij verhuist naar Bournemouth en pikt de Britse r&b scene rond ’64-’65 op: Animals, Kinks, Pretty Things, Stones, John Mayall, Graham Bond. En Dylan: “die overtuigde me ervan dat je een intelligente tekst kon zingen, wat een hele ontdekking was.” Begin ’65 verhuist een behoorlijk met electrische r&b beïnvloede Al Stewart naar Londen, maar verruilt opnieuw onder invloed van Dylan, zijn electrische gitaar voor een acoustische. De folk-scene in Londen ondergaat op dat moment net een welkome opleving.

Stewart krijgt een contract in de “Bunjie’s” folk-club en speelt er 2 1/2 jaar lang iedere vrijdagavond. De plek echter waar het allemaal gaat gebeuren is de “Les Cousins” club: Davy Graham, Bert Jansch, John Renbourn, Paul Simon, Sandy Denny, Bridget St. John, Van Morrison, Roy Harper, Jimmy Hendrix, Cat Stevens, die dan gewoon nog Steve Adams heet. In de “Bunjie’s”-tijd leert Stewart iedere belangrijke folk-zanger kennen, zingt nummers van Jansch tot Simon en begint serieus met het schrijven van eigen songs. “Ik wilde vroeger altijd meer schrijven dan “hey baby with the red dress on …” maar ik werkte in een vacuum. Toen ik naar Londen kwam, gebeurden er drie dingen: in april zag ik Bert Jansch optreden en ontdekte toen een stijl van gitaarspelen die ik nog nooit gezien of gehoord had. Verder ontmoette ik Paul Simon en maakte van nabij mee hoe hij zijn songs schreef en tenslotte het belangrijkste van alles: ik zag Dylan een twee uur durend concert geven in de Royal Albert Hall. Ik voelde toen dat dát de geboorte van iets gigantisch, iets revolutionairs was. En daar wilde ik deel van uitmaken.”

Hij woont in één huis met Paul Simon, Art Garfunkel, Jackson C. Frank en Sandy Denny en plukt de vruchten van een bloeiende folk-scene. “Who killed Tommy McGeechie”, “Pretty Golden Hair”, het zijn z’n eerste eigen songs die hij op 19 jarige leeftijd schrijft. “Het meeste van het materiaal uit die tijd stond sterk onder invloed van de protestbeweging. Heel idealistisch, met getrokken zwaarden voorwaarts, oprukkend tegen het sociale onrecht en zo. Achteraf gezien erg puberaal en ontzettend slecht geschreven. De enige songs die ‘t echt deden, waren de songs die veel van mezelf in zich hadden.” 


In ’66 zet Stewart, als voorloper van een album, zijn eerste stappen in vinylland en maakt de single “The Elf”, gebaseerd op Tolkien’s “In de Ban van de Ring”. Hij is er kort over: “Er zijn 496 stuks van verkocht en dat zijn er 496 te veel.” (Een aardige bijkomstigheid: de eerste gitaristische bijdrage van Jimmy Page.). De B kant “Turn into Earth” is van de Yardbirds.

Een jaar later begint alles in een stroomversnelling te geraken. Platenfirma CBS zoekt, als tegenhanger van het Amerikaanse succes van The Byrds en Simon & Garfunkel, een paar Britse folk-rock acts en contracteert The Picadilly Line, inclusief Stewart. Begin ’68 is Al’s eerste album een feit: “Bedsitter Images”.

The rest is history…

Dit is die eerste single....

The Elf



Turn into Earth



En de originele versie van de Yardbirds “Turn into Earth”



donderdag 26 april 2012

Del Shannon – His Latest Flame (1961)




Del Shannon – His Latest Flame (1961)
Geschreven door Doc Pomus en Mort Shuman.

Lp-track van zijn lp Runaway. Zelfs nog voor Del Shannon werd het al opgenomen door Bobby Vee en Bobby Darin, maar nooit uitgebracht.

Er is echter wel de demo van MortShuma zelf uit 1961.

Covers zijn : Elvis Presley (1961) [n°1 US als (Marie's The Name) His Latest Flame], Richard Anthony (1961) [als Sa grande passion], Dick Rivers & Les Chats Sauvages (1962) [idem], Dalida (1962) [idem], Roy Black (1963) [als Ich such dich], Residents (1989) , Noordkaap (1992) [als Zijn Laatste Vlam], Doyle Bramhall (1994) .

Del Shannon – His Latest Flame



Mort Shuman - His Latest Flame (demo)




Humphrey Lyttelton - Bad Penny Blues (1956)




De piano riff van “Bad Penny Blues” van Humphrey Lyttelton, gespeeld door Johnny Parker, inspireerde Paul McCartney voor zijn “Lady Madonna”.

“Bad Penny Blues” (opgenomen in London op 20 april 1956 met Joe Meek achter de opnameknoppen) was het eerste Britse jazz-nummer dat in het Verenigd Koninkrijk de top 20 wist te bereiken . Lyttleton, een jazz-traditionalist, hield niet van het lied.

De aristocratische Lyttelton (23 Mei 1921 – 25 April 2008) was een kleurrijk figuur. Naast jazz bestonden er voor hem nog een groot aantal andere dingen. Zo was hij bijvoorbeeld ook cartoonist voor de Daily Mail.

Op school speelde hij in een band. De trompet was zijn constante metgezel. Tijdens de oorlog landde hij op het strand Salerno tijdens Operatie Avalanche met het geweer in de ene hand en trompet in de andere. Op VE Day werd hij gefilmd door de BBC bij het vieren van de nederlaag van nazi-Duitsland zittend op een kruiwagen spelend op zijn trompet.

Hij presenteerde gedurende  40 jaar een jazz-programma op BBC-radio.  Hij presenteerde ook een  radio comedy quiz op de BBC “I’m Sorry, I Haven’t Got A Clue” . Een van zijn vervangers  na zijn overlijden was de prachtige Stephen Fry.






 

McCartney zegt dat de piano op Lady Madonna in feite geïnspireerd was op Fats Domino, wiens vocale stijl hij ook geprobeerd had om te imiteren.

Fats zou het nummer trouwens een paar jaren later zelf opnemen.



Humphrey Lyttelton - Bad Penny Blues



The Beatles - Lady Madonna



Fats Domino - Lady Madonna



woensdag 25 april 2012

Paul Pena – Jet Airliner (1973)




Paul Pena – Jet Airliner (1973)

“Jet Airliner” is een song die we allemaal aan Steve Miller Band toeschrijven maar eigenlijk geschreven werd door Paul Pena, een blinde funky soulrocker, beetje een Lenny Kravitz avant la lettre. Kwam pas uit in 2000.

Pena schreef de song voor zijn album uit 1973 “New Train”. Omwille van een aantal conflicten bleef het album in de schuiven liggen van Hybrid Records tot 2000.

Steve Miller hoorde de song op een bootlegversie van het album.

Paul Pena’s New Train album werd geproduced door Ben Sidran, nog een mogelijke go-between tussen Pena en Steve Miller.

Pena stierf in 2005 (hij was 55).

Zijn versie van “Jet Airliner” is volgens mij superieur aan deze van de Steve Miller Band.

JET AIRLINER



Paul Whiteman Orchestra (zang Irene Taylor) - Willow weep for me (1932)




Paul Whiteman Orchestra (zang Irene Taylor) - Willow weep for me (1932)


Covers : Ted Fio Rito (1932) [zang: Muzzy Marcellino], Harry James (1939) [zang: Frank Sinatra], Vera Ellen (1950) [in Marx Brothers film Love Happy als The Sadie Thompson Number], Billie Holiday (1953) , Lionel Hampton (1954) , Duke Ellington (1957) , Sarah Vaughan (1957) , Nina Simone (1959) , Ray Charles (1964) , Sam Cooke (1964) , Chad & Jeremy (1965) , Alan Price Set (1966) , James Brown (1969) , Charlie Musselwhite (1970) , Carmel (1983) , Steve Miller (1988) , Tony Bennett (1997) , Marie-Laure Béraud (2004) , Diana Krall (2006).



Auteur Ann Ronell is een van de weinige vrouwelijke songschrijvers die het maakte in Hollywood en Tin Pan Alley, schreef ook de woorden bij Who's Afraid Of The Big Bad Wolf?


Paul Whiteman Orchestra (zang Irene Taylor)



Ted Fio Rito



Irene Taylor.

Jimmie Lunceford Orchestra - T'ain't What You Do (it's the way that you do it) (1939)



 
Jimmie Lunceford Orchestra - T'ain't What You Do (it's the way that you do it) (1939)


De muziek is geschreven door Sy Oliver, trompettist en arrangeur bij Jimmie Lunceford, de tekst is van trombonist James "Trummy" Young die het nummer ook zong.


Covers : Chick Webb (1939) [zang: Ella Fitzgerald], Mildred Bailey (1939) , Fats Waller (1939) , Harry James (1939) , Nat Gonella (1939) , Julie London (1960) , Ann-Margret (1960s) , Fun Boy Three & Bananarama (1982).


Jimmie Lunceford Orchestra




Winifred Shaw - Lullaby of Broadway (1935)





"Lullaby of Broadway" is een populaire song (muziek geschreven door Harry Warren en teksten van Al Dubin), gepubliceerd in 1935.

Het nummer werd geïntroduceerd door Wini Shaw in de muzikale film  "Gold Diggers"  van 1935 en - ongewoon - werd het gebruikt als achtergrondmuziek in de Bette Davis film "Special Agent" datzelfde jaar.

Deze sonh kreeg in 1936 de Academy Award voor Best Original Song.

De Dorsey Brothers Orchestra versie was populair op het moment van de release. Ook in 1936, diende de song als deel van de achtergrond muziek van de Merrie Melodies cartoon Pagina Miss Glory.

Deze song is gebaseerd op een thema uit één van de Hongaarse Dansen van Brahms en op de Barcarolle uit Les Contes d'Hoffmann


Originele Opname is van Winifred Shaw uit "Gold Diggers" (1935)



Dick Powell  (rec. 13 Januari 1935)



Winnie Shaw met Dick Gergins Orchestra  (rec. 28 Februari 1935)



The Fisher Family - Joy of my heart (1965)




Sing ye o' the cuillins of Skye
Of Harris and Eigg and fair Iona
Joy of my heart Eallann Mulla

Whether I wander East or West
Waking or dreaming thou art with me
Joy of my heart Eallann Mulla

Peat and heather how they call me
Little wee bothan by the hillside
Joy of my heart Eallann Mulla

Whether I wander East or West
Waking or dreaming thou art with me
Joy of my heart Eallann Mulla

Friendly hearts are waiting to cheer me
Welcoming arms are there to hold me
Joy of my heart Eallann Mulla

Whether I wander East or West
Waking or dreaming thou art with me
Joy of my heart Eallann Mulla


Archie Fisher (Glasgow, 23 oktober 1939) is een Schotse volkszanger.

Zijn zusters Ray en Cilla Fisher, zijn ook zangers.

In 1960 ging hij naar Edinburgh en trad op in de folk club The Howff van Roy Guest. In 1962 producerden Ray en Archie een single op het Topic Records label, Far Over the Forth. Zij traden op in het BBC-programma Hootenanny.

In 1965 produceerde de hele familie een album Traditional and New Songs from Scotland. Vanwege het Edinburgh Folk Festival ontstond in 1964 het album Edinburgh Folk Festival vol 2 met opnames van Ray Fisher, Archie Fisher, Anne Briggs, en The Ian Campbell Folk Group met Dave Swarbrick.

In 1983 begon hij met een folk programma op Radio Scotland, genaamd Travelling Folk. . Dat loopt nog steeds. Archie toerde door Canada en de Verenigde Staten. Hij woont nu in het noorden van Engeland.


The Fisher Family



Archie Fisher




maandag 23 april 2012

Vuile Mong En Zijn Vieze Gasten – Het Apekot (1974)



De groep “De Vieze Gasten” werd in 1971 opgericht in Veurne door Mong Rosseel (Veurne, 30 december 1946), Magda Demeester, Jan Van Daele, Guido Schiffer en Fabien Audooren. Ze waren sterk geïnspireerd door de anarchistische en rebelse geest van de studentenopstanden van Mei ’68. Via hun theatervoorstellingen wilden ze maatschappelijke en sociale toestanden aan de kaak stellen. Doordat ze vooral meer volkse revues en cabaret brachten werden hun shows zowel in prestigieuze theaterzalen als wijkzalen of tijdens manifestaties opgevoerd.

Ze begonnen als een cabaretgroep, “Roodpoot”, die teksten van Guido van Meir bracht. De groep was van begin af een ludieke en sociaal-geëngageerde band. Jaarlijks gaven ze een avondvullende vertoning, “Adhemarke”, geïnspireerd op strips en griezelverhalen. De naam “Adhemarke” werd ontleend aan Adhemar, de geniale zoon van Nero. Op 15 oktober 1971 voerde de groep een show op die een mengeling was van humor, politieke satire en theater. Walter De Buck, organisator van de Gentse Feesten programmeerde hen in 1972 voor een concert tijdens dit festival. Hiermee waren “Vuile Mong en zijn Vieze Gasten” feitelijk geboren.



 
De basis voor het collectief “Vuile Mong en zijn Vieze Gasten” werd gelegd tijdens een optreden voor de eerste verjaardag van het Gentse buurthuis Kontakt op 15 oktober 1971. Het programma bestond uit een originele mix van humor, politiek theater en satire.

Walter De Buck, de bezieler van de Gentse Feesten, programmeerde hen het jaar daarop op de Gentse Feesten, wat hun eigenlijke doorbraak betekende.Leden van het eerste uur waren buurtwerker Mong Rosseel, Magda Demeester, Jan Van Daele, Guido Schiffer en Fabien Audooren. Hun doel was via het theater maatschappelijke en sociale wantoestanden aan de kaak te stellen. Belangrijk daarbij was in hun ogen laagdrempeligheid, vandaar hun keuze voor de volkse vormen van revue en cabaret, die ook in een wijkzaal of bij manifestaties konden gespeeld worden.

In de jaren daarop verwierven De Vieze Gasten (DVG) effectief bekendheid door hun interventies tijdens of naar aanleiding van politieke en economische acties (zoals linkse betogingen, stakingen, enz…). In 1973 vervoegden zij het Groot Arbeiders Komitee (GAK) van Jef Sleeckx, het jaar daarop namen ze deel aan talrijke solidariteitsavonden met Chili.

In de aanloop naar het theaterdecreet evolueerden De Vieze Gasten naar stukken met een naam en een verhaal, maar in se bleven het in een theatervorm gegoten revues (met bijvoorbeeld een raamvertelling als omkadering). Binnen het eerste theaterdecreet werden De Vieze Gasten erkend als vormingstheater. In 1975 nam de groep een elpee met strijdliederen op.
Vervolgens reisden De Vieze Gasten twaalf jaar lang door het land met een kleine circustent, waardoor ze een publiek bereikten dat zelden of nooit een schouwburg bezocht. Naast voorstellingen voor volwassenen speelden ze er ook voorstellingen voor kinderen, op initiatief van een nieuw lid, Herwig De Weerdt.



 
Het Apekot.

Gebaseerd op een liedje uit de eerste Wereldoorlog “Mademoiselle from Armentières“, origineel gezongen door ene Jack Charman (1915).

Bij Vuile Mong werd dat “Het Apekot”

“Hebde geider da ook? Als ge ‘s morgens wakker wordt en ge kijkt in de spiegel…bweuh..’t leven…ge zijt nog maar op de wereld en ‘t begint al, uw pa werkt, uw ma werkt en gij,
gij vliegt in de kindercrèche… en de crèche…

DE CRECHE DAT IS EEN APEKOT, PARLEZ VOUS
ELK ZIJN BED EN ELK ZIJN POT, PARLEZ VOUS
ZE STROOIEN ER POEDER OP JE VEL
GE MOET ER SLAPEN OP BEVEL, INKE PINKE PARLEZ VOUS

Maar het leven gaat zo snel voor ge ‘t weet zijt ge al op weg naar school, uw boekentaske onder uw arm, en ge zijt content en fier en ge denkt : ‘ Nu gaat het leven beginnen, de vogeltjes zeg, de bloemetjes ‘ …maar de school ?

DE SCHOOL DAT IS EEN APEKOT, PARLEZ VOUS
DE APEN ZITTEN TWEE AAN TWEE, PARLEZ VOUS
DE GROOTSTEN AAP DIE ZIT VAN VOOR
EN DOET DE ZOTSTE KUREN VOOR, INKE PINKE PARLEZ VOUS

18 jaar zijt ge geworden, 18 jaar, gedaan met naar school te gaan en ge staat op en uw hartje zegt boem boem boem
Ge stormt de trap af naar beneden en uw moeder staat klaar met de koffie.
zegt ze, “Jongen”, ” Hij ligt er, hé, in de brievenbus, uw oproepingsbevel, naar ‘t leger…”
en ‘t leger…

‘T LEGER DA IS EEN APEKOT, PARLES VOUS
ZE SCHIETEN DAAR MEKAAR KAPOT, PARLEZ VOUS
DE GENERAAL DAT IS EEN HOND
DE VIJAND ZIET ALLEEN ZIJN KONT, INKE PINKE PARLEZ VOUS

Maar ‘t leger zeg, hoe lang duurt dat, ‘t leger ?
Eén jaar ! Eén jaar op een gans mensenleven, daar kunt ge toch niet blijven bij stilstaan. Dat is zo voorbij en ge zijt al op weg naar huis, uw gerief over uw schouder, cafeetje links, cafeetje rechts, en ge komt thuis en uw moeder staat in haar deurgatje en ze zegt : ” Mijn Jean-Pierre, zijde gij da zo ne vent geworden, op één jaar tijd !”
En uw vader komt van zijn werk en hij smijt zijn vélo tegen de gevel en zegt hij: ” Jean-Pierre zo’n man geworden allemaal op één jaar, en gij denkt, nu hebben ze me niet meer liggen, nu gaan we leven, de vogeltjes, de bloemetjes
En ‘s avonds, heel de familie zit naar televisie te kijken. De programma’s zijn allang voorbij, maar ze kijken nog een beetje naar ‘t testbeeld,
En daarna zegt vader jongen zegt hij, nu da we hier samen zijn laat ons over het leven klappen” en gij dierect ja pa, de vogeltjes zeg, de bloemetjes zeg..”
Zegt ie:” jean-Pierre op uwe leeftijd, Kijk es naar uw moeder da mens heeft gewerkt, haar hele leven lang gewerkt, en ik Jean-Pierre ik heb gewerkt ‘t Is aan uwen toer, ga werken, naar ‘t fabriek, en ‘t fabriek …

‘T FABRIEK DAT IS EEN APEKOT, PARLEZ VOUS
ZE WERKEN ZICH D’ER STAPELZOT, PARLEZ VOUS
DE GROTE BAAS DIE KRIJGT ZIJN PREE
AL AAN DE MIDDELLANDSE ZEE, INKE PINKE PARLEZ VOUS

‘t Is de moment om zenuwachtig te worden, ‘t is de moment om te panikeren
Veertig jaren, veertig van de mooiste jaren van uw leven heb ge u kapot gewekt aan da stom machien in die stomme fabriek

Maar zeg, na veertig jaar komt de grote direkteur af, recht naar uw machien.
” Zijt gij, zijde gij Jean-Pierre ?”
” Ja, meneer de direkteur.” En ge zijt al kontent, stel u voor zeg na 40 jaar komt de grote directeur persoonlijk met u spreken
” Zegt gij Jean-pierre, heb je hij veertig jaar in mijn fabriek gewerkt ?”
” Ja meneer de direkteur.”
” ‘t Is niet te geloven”, zegt hij
” maar Jean-pierre, jongen, ‘k heb toch een probleem zegt den directeur
Ziet ge van mij moogde gij hier blijven, maar uw eigen jongere collega’s, zeggen ze, meneer de direkteur zeggen ze, Jean-pierre, die mens wordt oud, en hij kan niet meer me een iedere week zijn wij ons premie kwijt. Ziet ge, Jean-Pierre, van mij moogt ge blijven, maar uw eigen jongere collega’s, zeggen ze tegen mij zeggen ze, meneer de direkteur, waarom zou jean-pierre nie met pensioen gaan, waarom zou jean-pierre nie nog een beetje van zijn leven genieten ? Wa denkt ge jean-pierre? En ‘s avonds, ge rijdt naar huis met uw velo, en ge denkt jean-pierre, verdikke jean-pierre, ‘t is de moment on nog een beetje te leven… en terwijl ge er aan denkt ziet ge een vogeltje passeren, eentje maar, maar ge ziet het passeren, en een beetje verder staat er een bloemetje tussen de straatstenen, zwart van ‘t roet van de auto’s en de autobussen, maar ge ziet het staan en ge denkt jean-pierre:
” De vogeltjes zeg en de bloemetjes zeg, leven, LEVEN …”
Wel, mensen, vergeet het maar. Verdomme vergeet het maar Voor ge ‘t weet, waar zit ge, denkt ge ?
Bij d’ ouw’ peekes.
En waar zitten de ouw’ peekes ?

D’ OUW PEEKES ZITTEN IN ‘T APEKOT, PARLEZ VOUS
WEER ELK ZIJN BED EN ELK ZIJN POT, PARLEZ VOUS
DE NONNEKES STOPPEN U IN BAD
DAT DOET ZO’N DEUGD VOOR UW PROSTAAT, INKE PINKE PARLEZ VOUS.

En iederen dag iederen dag zegt uw hartje een beetje trager, boem boem boem en op een goeie keer, voor de allerlaatste keer, nog één keer
BOEM……”


Het Apekot



Mademoiselle d’Armentieres (Jack Charman) uit 1915.



De foto’s heb ik zelf gemaakt op een zonnige middag op het Brusselse De Brouckèreplein in 1975.





zaterdag 21 april 2012

Sandy Denny (1947 - 1978)




Op 21 April 1978 overlijdt, in Londen, de zangeres Sandy Denny  aan een hersenbloeding nadat ze in het huis van een vriend van de trap is gevallen.

Sandy Denny wordt op 6 Juni 1947 in Wimbledon, London geboren als Alexandra Elene McLean Denny.  Denny studeerde voor verpleegster maar ging zich serieus met muziek bezighouden na een ontmoeting met de toen nog onbekende Simon and Garfunkel.

Denny trad voor het eerst op voor de BBC op 2 December 1966 in een folk programma in the Folk Song Cellar, waar ze twee traditionals zong : “Fhir a Bhata” en “Green Grow the Laurels”. Paul Simon zat in hetzelfde programma.

Een paar maanden later maakte ze haar eerste album met akoestische nummers. Het zou pas in 1978 verschijnen.

In 1967 werd ze lid van de band The Strawbs waarvan hetzelfde jaar het album Sandy Denny & the Strawbs verscheen. Een nummer van dit album, Who Knows Where the Time Goes?, werd in 1968 in de uitvoering van Judy Collins een grote hit. Denny’s verblijf bij The Strawbs was van korte duur, want al in 1968 werd ze gevraagd Judy Dyble te vervangen in Fairport Convention. 


Haar komst veranderde het geluid van de band in belangrijke mate. De voorheen sterk op de Amerikaanse folk gerichte groep sloeg nu een meer Brits/keltisch klinkende richting in.



 

Op de albums What we did on our holidays, Unhalfbricking en Liege and Lief, alle uit 1969, speelde Denny een grote rol als zangeres, terwijl enkele van de beste nummers ook door haar werden geschreven.

Reeds in 1970 verliet ze Fairport Convention and richtte ze de band Fotheringay op, waarmee een album werd opgenomen. In Fotheringay speelde ook haar toekomstige echtgenoot Trevor Lucas.

Een tweede album werd niet voltooid. In de jaren zeventig nam Denny een aantal soloalbums uit van wisselende kwaliteit. Ook zong zij een duet met Robert Plant op het Led Zeppelin IV-album uit 1971, The Battle of Evermore, dat heel nadrukkelijk de ‘folk-kant’ van Led Zeppelin belicht. In 1973 keerde ze terug bij Fairport Convention en ging met de band op wereldtournee, resulterend in het live album Live Convention. In 1975 volgde het album Rising for the Moon, waarna ze de band weer verliet.

Sandy’s laatste album, het wat overgeproduceerde Rendezvous, verscheen in 1977 en was een weinig succesvolle poging een groter publiek te bereiken. In juli van dat jaar werd ze moeder. Korte tijd daarna begon ze met haar man plannen te maken om naar Amerika te verhuizen. Zo ver kwam het niet.

Sandy Denny overlijdt op 21 april 1978 aan hersenletsel. Dit heeft zij opgelopen nadat zij thuis in Londen dronken van een trap is gevallen. Haar leven is een chaos. Sandy Denny deelt het bed met o.a. Keith Moon van The Who en Lowell George van Little Feat. Zij trouwt met de Australische zanger/producer Trevor Lucas. Zij kan niet van de fles afblijven. Dronken valt Sandy Denny eind 1977 van een trap. Hierna negeert zij de verwondingen aan haar hoofd. Trevor Lucas heeft haar inmiddels verlaten. Met hun negen maanden oude dochter Georgia is hij naar Australië vertrokken. Sandy Denny stort op 21 april 1978 opnieuw dronken van een trap. Interne bloedingen worden haar fataal.

Na haar dood verschijnen nog enkele cassettes en platen met niet eerder uitgebrachte opnamen, waaronder Gold Dust, een live album van haar allerlaatste optreden op 27 November 1977. Sandy Denny is 37 jaar geworden.


Hierbij een aantal "zeldzaamheden", niet uit haar Fairport verleden, maar solo, zowel voor de Fairports als daarna.

Pretty Polly



The 3:10  to Yuma 



Like an old fashioned Waltz



vrijdag 20 april 2012

Levon Helm (1940 - 2012)




Levon Helm is gestorven.

De sympathieke, gebaarde Levon Helm met het typisch zuiderse accent gaat de geschiedenis in als de zingende drummer van een van beste groepen uit de jaren ’60 en ‘70, ‘The Band’. Die werd bekend als begeleidingsgroep van Bob Dylan.

Van de originele bezetting van ‘The Band’ zijn nu enkel nog zanger-gitarist Robbie Robertson en toetsenman en wonderboy Garth Hudson in leven. Richard Manuel (keyboards en zang) en Rick Danko (bas en zang) stierven respectievelijk in 1986 en 1999. Alle leden waren Canadezen, behalve Levon Helm.

Met hun eigen Americana-, folk- en rockmuziek creërt ‘The Band’ al snel een geheel unieke sound die ze voor het eerst op plaat konden vastleggen bij het album “Music From Big Pink” in 1968, genoemd naar de plaats waar de groepsleden samen woonden. In totaal bracht ‘The Band’ zeven albums uit die tot het historische muziekarchief van Amerika zijn gaan behoren.

Helm zong naast ‘The Night’ ook ‘Up on Cripple Creek’, 'Rag Mama Rag'  en ‘The Weight’.

Mark Lavon Helm werd geboren op 26 mei 1940 in Elaine, Arkansas als het tweede van vier kinderen in een gezin van katoenboeren én muziekliefhebbers. Met zijn zus Linda won hij al op jonge leeftijd muziekwedstrijdjes. Zijn echte muzikale carrière begon toen hij bij Ronnie Hawkins drums ging spelen.

Daar leerde hij ook de andere leden kennen van wat later ‘The Band’ zou worden. Hun eerste album ‘Music from Big Pink’, kwam uit in 1968, een jaar later hun meest geliefde plaat ‘The Band’. Dat de groep een unieke plaats bekleed in de moderne Amerikaanse muziekgeschiedenis bewees de aanwezigheid van grootheden als Van Morisson, Neil Young, Bob Dylan, Eric Clapton, Muddy Waters en Doctor John op hun afscheidsconcert van 1978.

Met Levon Helm gaat een deel van het levend geheugen van de Amerikaanse Roots heen.

"Anna Lee" uit "Dirt Farmer" met zijn dochter Amy (van Ollabelle)



"You'll never again be mine" uit "The Lost Notebooks of Hank Williams" 




donderdag 19 april 2012

Hawkshaw Hawkins – Lonesome 7-7203 (1963)




Hawkshaw Hawkins – Lonesome 7-7203 (1963)


Geschreven door Justin Tubb, de oudste zoon van Ernest Tubb. Een opname uit 1962 door Jean Shepard voor Capitol bleef onuitgegeven.

Covers : Will Tura (1964) [n°1 VL als Draai Dan 79.72.04], Burl Ives (1967) , Justin Tubb (1967) [auteur], Tony Booth (1972) , Don Walser (1980s) , Darrell Clanton (1984) , Helmut Lotti (1993)


Hawkshaw Hawkins had met deze latere Tura-hit zelf een C&W n°1 in '63, het jaar waarin hij een van de slachtoffers werd van de vliegtuigcrash die ook fataal werd voor Patsy Cline en Cowboy Copas (The day the country-music died).



Hawkshaw Hawkins




Justin Tubb – Lonesome 7-7203 (auteursversie uit 1967)



Stu Phillips – The great el tigre (1966)



Stu Phillips – The great El Tigre (1966)
(Cy Coben)

Hij was een protégé van Chet Atkins.

Covers : Will Tura (1966) [als El Bandido n°1 VL], Robert Cogoi (1966) [idem], Larry Cunningham (1968) , Hugo Matthysen & De Bomen (1990) [idem], Frank Galan (1995) [idem].

Stu Phillips – The great El Tigre



Chip Fisher – I love your pony-tail (1958)




Chip Fisher – I love your pony-tail (1958)

Gecoverd door Will Tura als "Oh Paardenstaart" (1958)



Chip Fisher – I love your pony-tail

Johnny Western – Don’t Cry Little Girl (1960)




Johnny Western – Don’t Cry Little Girl (1960)
(Marijohn Wilkin/Wayne Walker)

Hetzelfde duo schreef ook "Cut Across Shorty"

Gecoverd door Will Tura als "Je Huilt Meisjelief" de B Kant van "Eenzaam zonder Jou" (1962)


Johnny Western – Don’t Cry Little Girl